Hella Haasse werd 93. Bij haar dood realiseerde ik me dat zij de enige van de ‘grote vier’ is wiens boeken ik met plezier lees en herlees. (Reve, Mulisch en Hermans hebben hun kwaliteiten maar ik heb me nooit persoonlijk verbonden gevoeld met één van hun boeken en voel me niet geroepen hun werk te herlezen). Misschien is het omdat ik Haasse op de middelbare school las: De verborgen bron (ik deed er een spreekbeurt over), Het woud der verwachting, De ingewijden. Maar het enige boekje dat ik in de kast heb staan is de Salamanderpocket van De tuinen van Bomarzo (1968) – en had ik die eigenlijk wel gelezen?
Ik las het vandaag – een lang essay waarin vooral de relatie tussen Rennaissance en voor-christelijk heidendom wordt nagegaan. Voor de precieze verwikkelingen tussen de Borgia’s en Orsini’s kan ik niet echt voldoende interesse opbrengen – maar de stijl is vlekkeloos en toch levendig. De eruditie vanzelfsprekend. Dat is een verademing.

“Il reste à faire une philosophie du cinéma et de la radio. Et nous définirons ici le mot philosophie le plus simplement du monde comme l’effort d’un esprit qui s’emploierait à épuiser toutes les idées qui peuvent venir à propos de l’objet de son étude.â€
Pierre Schaeffer’s aanzetten tot een theorie van de radio, ‘les arts-relais’, geschreven rond 1942, jaren voor hij grondlegger werd van de Musique Concrete, lang, lang voor zijn theoretische werk over ‘l’objet sonore’. Iets tussen een fenomenologie en een semiotiek van de radio, ook vooruitlopend op de theorieën van Abraham Moles.
Zeer mooi uitgegeven boekje. Ik kocht het toen ik in maart in Parijs was. En ik doe mn best om het te begrijpen. Dat gaat nog redelijk, gezien mijn kennis van het Frans.

http://www.editions-allia.com/fr/livre/477/essai-sur-la-radio-et-le-cinema.
Nog meer leesvoer & onderzoek: Programmed Visions. Software and Memory (2011) van Wendy Chun – een kritische cultureel-technische geschiedenis van het begrip software. Eerste deel gelezen. Helder. Jammer dat ik geen tijd heb om me er echt in te verdiepen – en een kritiek te schrijven.

Even vermakelijk. Borges en Bioy Casares verzinnen een reeks conceptuele schrijvers en kunstenaars, en laten hun fictieve alter ego – de veel te bloemrijk formulerende, slecht denkende en altijd door bewondering verblinde Bustos Domecq – er artikelen over schrijven.

Parodieën op detectiveverhalen opgetekend door Bustos Domecq, fictief auteur, verzinsel van Borges & Bioy Casares. Zeer vermakelijk. Don Isidro Parodi lost vanuit de gevangeniscel misdaden op, luisterend naar de in opgezwollen taal opgediste verhalen van zelfingenomen personages. Vrolijk postmodernisme.

Maar 1 ding over zeggen: lezen!
Nieuwe vertaling van Gadda’s La cognizione del dolore door Frans Denissen. Briljant, meeslepend, barok, moeilijk en spetterend. Als ik spijt heb dat het me nooit is gelukt om écht goed Italiaans te leren (ik heb ooit Italiaans gestudeerd), dan is dat niet omdat ik Dante niet in het orgineel kan lezen (dat lukt nog redelijk, met aantekeningen en wat hulp), maar dat ik het moet doen met de schaarse vertalingen van het werk van Gadda. Ik zou alles van hem willen lezen.

DÃt was het echte leeswerk van de afgelopen tijd. En ik ben nog bezig in N30+ van Jeroen Mettes en DFW’s The Pale King. Het eerste makkelijk te lezen (gewoon lezen, zin na zin na zin), het tweede van een Jamesiaanse moeilijkheid èn een pijnlijk boek.
Boh, en leende ook van de bibliotheek van André Gide Het innerlijk blauw. Een keuze uit het dagboek 1918 – 1939. Hmmm. Dacht: ik heb nooit iets van Gide (uit)gelezen, ik weet bijna niets over Gide. +600 pagina’s dik en nee, niet uitgelezen, maar wel zoveel uit gelezen dat ik er iets over wil zeggen. Hmmm. Altijd interessant om te lezen hoe het leven van een schrijver verloopt, hoe het werken aan de boeken is verweven met een dagelijks bestaan. Maar pfff, Gide komt er, als persoon, niet heel best van af – nog niet eens vanwege de seksuele omgang met minderjarigen, de zweem van pedofilie en het sekstoerisme waaraan hij doet (althans: zo zou het nu heten, toen golden andere ‘wetten’, heette het anders) – maar vooral omdat hij de mond vol heeft van oprechtheid en eerlijkheid en zelf aanvankelijk met de grootst mogelijke persoonlijke leugens leeft. (Of heb ik het allemaal verkeerd begrepen?). Pfff, daar zullen Gide’s biografieën wel vol over staan. Aan de andere kant dan weer: hoe ouder hij wordt, des te meer medeleven met sociaal achtergestelden. Etc. Het is vreemd: Gide’s streven naar oprechtheid lijkt steeds iets te verhullen. Misschien wordt dat anders zo na 1931 (tot daar gelezen)?
(twee dagen later)
Toch nog verder gelezen. Dit geschreven was Gide me meteen een stuk sympathieker. Zijn engagement voor de Sovjets (en daaropvolgende teleurstelling) is daar ook debet aan. Maar eens een roman van hem lezen. (Kwam er in het verleden nooit doorheen).

Tja, het eerste deel van de keuze uit Green’s dagboeken maakte me nieuwsgierig genoeg om ook het tweede deel van de bibliotheek te lenen. Hmmm. De stijl nog even smetteloos, maar de overvloedige passages over het geloof en de katholieke kerk gaan op den duur flink irriteren – vaak is er geen sprake van religiositeit, maar van een star geloof in de institutie Katholieke Kerk en de Lieve Heer. (Hiermee doe ik Green’s ‘zoeken’ vast onrecht, maar vanuit hedendaags perspectief kan ik er niets anders van maken). Het lezen van die passages confronteert je met een wereldbeeld dat in feite al vreemd is… (of: dat mij vreemd is). Interessanter zijn Green’s opmerkingen over politieke gebeurtenissen en ‘mei 1968’ – misschien ook omdat ze komen van zo’n gelovig katholiek. Eigenlijk was het uitlezen van dit boekje tijdverspilling – ah, allright, ook nog wel wat aardige observaties over literatuur – maar waarom verdiep ik me in hemelsnaam in Julien Green?

Ook nog een en ander gelezen, tussendoor. ‘Tussendoortjes’, bijvoorbeeld een roman van een groot Duits schrijver die me altijd ‘te gewoon’ was. (Ten onrechte waarschijnlijk). Uit nieuwsgierigheid en als een soort test: zijn deze teksten het echt zoveel conventioneler? Leest het makkelijker? Lees ik zo’n roman uit? Heinrich Böll’s Ansichten eines Clowns (1963) heb ik min of meer uitgelezen. De eerste 150 pagina’s liet ik me meeslepen, daarna begon ik langzaamaan genoeg te krijgen van de jaren vijftig problematiek die Böll hier kundig en fel schetst. Terecht een klassieker.

Gedachte: hoeveel dapperder en maatschappelijk uitgesprokener Böll was, in vergelijking met sommige (veel?) hedendaagse schrijvers.
Mooi portret van hardloper Emil Zátopek – de meest tot de verbeelding sprekende langeafstandsloper uit de geschiedenis van de atletiek. Door Jean Echenoz. (Oorspronkelijk Courir (2008)). Goed leesvoer voor zaterdagavond of zondagochtend.
