Zo’n werkdag…

Ik begin mijn werkdag meestal met wat nieuws lezen – een snel rondje langs wat online kranten, het weerbericht, wielernieuws – wat al snel overgaat in het lezen van een paar achtergrondartikelen die ik in afzonderlijke vensters of tabbladen heb geopend.

Vandaag was zo’n dag waarop ik om drie uur constateerde dat ik nog steeds vensters en tabbladen had openstaan. Er was almaar meer bijgekomen, ik had alweer een boek gedownload dat ik wilde lezen (Vector Media, van Leonardo Impett and Fabian Offert, omdat Joost Rekveld er op wees, https://assemblag.es/@joost_rekveld/117537314978693916), en flink wat referenties nagezocht. En dat had ook weer zowel kennis als een lijstje van artikelen opgeleverd die ik ook graag zou willen lezen (mocht ik daar ooit de tijd voor vinden).

Belangrijker: dit was allemaal geen uitstelgedrag, in mijn hoofd was het aan het gonzen, ideeën probeerden zich te verbinden, er ontstonden aanzetten tot kritiek, ik schreef in mijn hoofd intro’s voor mogelijke artikelen (die ik wel nooit zal schrijven), en ik begon betekenisvol verband te zien tussen verschillende aspecten van mijn interesses voor taal, poëzie, technologie, het belang van lezen, wat een goede zin is, een zin die je niet gedachtenloos parst, maar die je leest – enzovoorts.

Maar was dit een werkdag?

Inderdaad, de meeste van de tabs en vensters die ik had openstaan gingen over literatuur en AI, taal en AI.

Tussendoor deed ik ook wat redactiewerk, vulde ‘tags’ aan op de website, beantwoordde wat mails, en ik moest mn hoofd breken over de website van een onderzoekster die probeert uit te zoeken of AI onverwachte betekenisvolle verbanden kan leggen tussen items uit een archief. Ze had als testdata de hele V2_website gebruikt (met toestemming). Ze vroeg zich af of AI met intrigerende ‘curatoriële’ voorstellen zou kunnen komen. Het ‘hoofd breken’ betrof in dit geval vrijwel vruchteloos nadenken waarom ik alles wat ik op die website zag, me totaal verveelde, net als elk door de AI gegenereerd tekstje (hoe correct ook), en de ‘knowledge graphs’. (Gosh, die hadden we 10 jaar geleden ook op de website van V2_…) Het was allemaal 100% oké, maar van een onmetelijke saaiheid waardoor ik alleen maar kon denken: ‘waarom zou je dit doen, en waarom in godesnaam zou ik er naar moeten kijken?’ (Tja, omdat het bij mijn werk hoort? Maar dat telt niet). En hoe laat ik dat op een aardige manier weten, dat ik het hemeltergend saai vind? Indrukwekkend was wel dat je nu dus blijkbaar zoiets zonder al te veel problemen kunt maken, met grafische representaties van de data, vergelijkingen met data uit andere archieven, het aangeven van gaten en inconsistenties, enzovoorts. Alleen – jeez…. waarom? Alles wat de AI oplepelt zijn dingen waar je tegenaan zou lopen als je een kunsthistorisch artikel zou willen schrijven over het desbetreffende onderwerp. Handig? Ik weet het niet. AI zal niet alleen dat artikel genereren, maar nog honderden andere, duizenden, miljoenen zo je wil. (Ha, laat er agents op los die weer andere agents maken die miljoenen essays in honderden verschillende stijlen genereren en die publiceren op talloze door AI gegenereerde websites over mediakunst). Laat je AI die essays schrijven, dan krijg je vooralsnog teksten die je echt niet wilt lezen. Ik althans kan ze niet lezen, omdat ik bij het proza waarmee AI komt aanzetten al mijn aandacht verlies.

Doet me denken aan de blurbs die ik dit jaar of vorig jaar kreeg aangeleverd, korte beschrijvingen van 3 regels van kunstwerken voor de website, voor de PR. Ik was in staat te constateren dat ze grammaticaal deugden, maar ik ‘zag’ helemaal niks, en ik begreep er ook niks van, de zinnen waren niet in staat mijn leesaandacht te pakken. Nu zijn PR-blurbs meestal nogal eenvormig en bijna betekenisloos, maar zo erg als deze 12 (of 13 of 11) had ik nog niet meegemaakt. Vroeger moest ik minstens de helft herschrijven vanwege de fouten of omdat ze onbegrijpelijk waren, of drie keer hetzelfde stelden. Anyway. Ik was overigens te laf om er wat van te zeggen en heb ze onveranderd gepubliceerd. Wie leest die blurbs? Ja AI.

Waar was ik. Dingen die ik las. Charlotte Remarque in De Groene over literatuur en AI, en de recente kwesties daarrond: https://www.groene.nl/artikel/kunnen-critici-nog-lezen.

(Waarbij de kwestie rond Thélyson Orélien me doet denken aan de plagiaatverwijten (50 jaar ofwat geleden) aan Yambo Ouologuem, die in Le devoir de violence inderdaad veel ‘overschreef’ van anderen, wat niet hoort volgens in de westerse literatuuropvattingen. Er kwam een rechtszaak over de anderhalve pagina die hij ontleende aan Graham Greene, maar dat hij veel overschreef uit Arabische kronieken over Afrikaanse geschiedenis zag indertijd niemand. (Ik schrijf dit uit mn hoofd, zonder het na te zoeken in Christopher Wise’s Yambo Ouologuem: Postcolonial Writer, Islamic Militant, dus misschien zeg ik het niet helemaal correct). (Die kwestie, en het verschil tussen de Europese en westers-intellectuele houding tegenover AI, en de zo te zien veel pragmatischer benadering in bijvoorbeeld de Global South is interessant – allright insert reclame voor Payal Arora’s The Library of the Incalculable waarin dat ook een motief is, als ik het (ongelezen) mag geloven: https://v2.nl/publications/the-library-of-the-incalculable).

Verder las ik in Jacobin over Wall Street dat almaar nerveuzer wordt over beleggingen in AI: https://jacobin.nl/wall-street-wordt-almaar-nerveuzer-vanwege-ai/. En uit de Amerikaanse Jacobin Politics after Literacy, een essay waarin Sam Kriss het helder samenvat, onder bekende verwijzingen naar Luria, Ong en McLuhan, https://jacobin.substack.com/p/politics-after-literacy – ik moet Flusser er weer eens op naslaan, denk ik dan. En van dezelfde Sam Kriss en fijne rant tegen AI-proza: https://samkriss.substack.com/p/if-you-let-ai-do-your-writing-i-will. En via hem weer links naar de grootse geschiedenis van Centraal-Azië – de tijd van Al Biruni en Ibn Sina en anderen. (Ik ben halverwege in een boek over die twee grote geleerden).

Dan een leesbaar maar eigenlijk slecht interview met Nick Bostrom in De Correspondent – tja, die man is gewoon een hardcore positivist en rationalist en transhumanist en effective altruist, en die rekenen gewoon uit wat optimaal is (in hun AI-enhanced excel-sheets zeg maar) en zouden de rest liever afschaffen. Het fundamentele probleem is dat ze, rationele technocraten die ze zijn, strikt willen uitgaan van hun model van de wereld – maar wereldmodellen zijn altijd beperkt, er zijn altijd dingen die er buiten vallen (omdat we ze niet kennen, niet mee laten doen (expres of per ongeluk), niet meewegen omdat we (nog) denken dat ze geen waarde vertegenwoordigen), en misschien zijn die wel degelijk van belang (maar wisten we het niet). Bostrom is een slechte filosoof omdat hij dat wel degelijk lijkt te weten, maar er in zijn denken toch geen rekening mee wil houden. (Zoiets herinner ik me tenminste van het lezen van Superintelligence, bijna 12 jaar geleden). Een goede filosoof neemt juist die onzekerheid en dat onbekende als uitgangspunt. Denk ik.

De pogingen van schrijvers (niet alleen Charlotte Remarque, maar ook Bert Natter bijvoorbeeld) om duidelijk te maken wat het menselijke aspect van schrijven is, en waarom juist dat de kern is (die AI nooit zal kunnen pakken), bevredigen me overigens niet helemaal. Ze zitten absouut op de goede lijn, maar je moet verder denken. In zijn nieuwste boek Wij zijn lichaam schrijft Dirk van Weelden daar al veel beter over (en filosofischer – dat wil zeggen, in-meer-stappen-denken). Hij geeft het meer reliëf, achtergrond, fundament. (Ik moet hoognodig de citaten opzoeken en overtikken!)

Deze kwestie, wat er nu gebeurt met AI, taalmodellen, schrijven, poëzie, lezen, raakt aan fundamentele dingen, of beter gezegd, je kunt de kwesties rond AI, schrijven, lezen, denken, alleen goed vatten als je het tot op de bodem uitzoekt. AI kan vanalles. Een slappe roman fabriceren in honderd verschillende versies, precies aangepast op jouw leesvoorkeuren – peuleschil. Maar daar gaat het niet om. Waarom lees je? (Niet alleen om even te ontsnappen aan je sores). Dat moet je vragen. Wat is begrip eigenlijk? Wat bedoelen we als we zeggen dat we iets begrijpen? Waarom is begrip belangrijk? Wat moeten of willen we zelf kunnen begrijpen? Wat gebeurt er als we lezen? Lezen is iets anders (of meer) dan de betekenis van een stel zinnen bij elkaar zetten. Lezen is een transformatie. (En maakt soms een sprong naar het onbekende mogelijk).

Is lezen een transformatie? Zijn we naar die transformatie op zoek? Ik denk dat daar een ‘crux’ ligt. Er vindt een sprong plaats – naar iets onbekends, iets wat er nog niet wat. Het heeft ook te maken met tijd. AI kent alleen verleden, maakt statistische afleidingen uit het verleden. Als wij praten of schrijven doen we dat niet alleen op basis van wat we weten uit het verleden. We maken steeds een sprong naar de toekomst, naar het onbekende. Ik moet zeggen dat als ik bij dit soort gedachten aanland, ik begin te ‘voelen’ dat ik filosofische bagage mis (ervan uitgaande dat anderen – filosofen – zich hun leven lang het hoofd hebben gebroken over deze zaken).

Waarom lees ik eigenlijk? Waarom in godesnaam lees ik al mijn leven lang al die romans, al die gedichten, die filosofie ook, een waarom is dat voor mij belangrijk? Waarom is dat zo’n ongemeen spannend avontuur? (En ook, verzuchting, zijn er steeds minder mensen voor wie dat ook geldt).

Ik bedoel, wat Samuel Vriezen voor elkaar krijgt in Harmonie der scheuren. Als je moet parafraseren, of samenvatten, of uitleggen aan iemand anders zit je enthousiast te stamelen, terwijl het tegelijk volkomen helder is als je het leest. De gedichten vormen en wijzen vooruit naar een mogelijke toekomst, een heel andere, en je ziet als lezen die toekomst voor je. Precies daarom. Hij doet in die versregels iets wat je niet voor elkaar kunt krijgen in een argumentatieve filosofische tekst. (Natuurlijk is van alles aan uit te leggen, te interpreteren, en anders te vertellen – en dat zou je ook moeten doen, terugschrijven, verderschrijven). Het is poëzie die een sprong mogelijk maakt, het onbekende, toekomstige, dat niet vanzelfsprekend verschijnt uit alles wat er daarvoor in de databases en modellen gestopt was. Zoiets. Ook dit zou ik beter moeten formuleren. (Samuel Vriezen’s werk vormt natuurlijk een mooi vertrekpunt, ook omdat hij een dichter en componist is die zich juist wel inlaat met tekst- en klankgeneratie, met wiskunde, met algoritmes, met artificiële intelligentie, en niet eentje die tegenover de technologie alleen maar het vol bloed kloppend hart van de mens stelt dat kan voelen, ah, voelen en dat kan de AI niet!) Anyway.

Waar was ik. Wat ik allemaal las. En nu is het bijna elf uur ‘s avonds. Vanmiddag kwamen De essays van Stefan Hertmans binnen, want ik had net zijn journalen Smeltwater en middagzon gelezen met meer interesse dan ik had verwacht. En die heb ik nog niet eens ingekeken. (Dat is ook een soort onderzoek naar wat ik zelf eind jaren tachtig en in de jaren negentig in de literatuur belangrijk en spannend vond, en in Hertmans een schrijver vond met deels vergelijkbare interesses – zijn eerste roman, verhalenbundels, dichtbundels en essays stonden gewoon op de plank in de OBA, en anders wel bij Perdu).

En nu dan toch maar AI en taal van Walter Daelemans bestelt (https://ai-en-taal.uantwerpen.be), op aanraden van Marc van Oostendorp eigenlijk (https://neerlandistiek.nl/2026/09/1363730/), die onlangs ook dit opmerkte: ‘Het intrigerende voor de taalwetenschap is ook dat het taalvermogen van ki duidelijk een andere basis heeft dan dat van mensen, en dat die ki dus nieuwe vragen stelt. Ki gebruikt enorm veel brute kracht voor zaken die wij subtieler doen: voor een ki Nederlands kent, moet het eerst miljoenen of miljarden woorden lezen, wij mensen hebben dat niet nodig. Tegelijkertijd kan ki allerlei verzonnen ’talen’ leren die voor mensen buiten het bereik zijn. Wij mensen hebben een beperkter brein, maar kunnen daarmee als baby’s binnen de kleine ruimte van de menselijke talen efficiënter zoeken naar wat de taal is die er om ons heen gesproken wordt.’ (https://neerlandistiek.nl/2026/11/ki-schrijft-theorieen/).

Zo denk en lees ik verder.

Maar was dit nou een werkdag?

LLMAI

Om mezelf te herinneren: lezen/gelezen: https://codemanship.wordpress.com/2026/08/12/ai-software-development-what-does-the-data-say/ – met veel interessante links – (via Joost Rekveld); en Laurens Ham’s https://www.dereactor.org/teksten/onder-het-glasvezel-ligt-het-strand-over-creatief-schrijven-en-generatieve-ai.

blogging,leesvoer,nl,reading matter,research,software,ubiscribe | August 15, 2026 | 10:50 | Comments Off on LLMAI |

Waarom (en wat) lees je?

‘Gedurende mijn schooltijd, gebogen over teksten uit de oudheid, wist ik dat er een betere wereld bestond, en dat een ander leven mogelijk was (…).’ Geerten Meijsing, R.I.P. Gissing.

Kon het toch niet laten, kocht Meijsing’s nieuwe roman. ‘For old times sake’, omdat ik inderdaad tot die volgers behoor waarvan Lodewijk Verduin zegt dat ze ‘er ongetwijfeld plezier aan beleven om in deze janboel nieuwe puzzelstukjes van zijn persoonlijke mythologie te ontdekken.’ (Zie www.groene.nl/artikel/kommer-en-kwel – ik las Erwin en Michaël van Mander al in mijn schooltijd). En misschien ook omdat dit boek belooft een janboel te zijn.

En, ook om tussendoor iets anders te lezen. Ik werk me momenteel door Der Mann ohne Eigenschaften heen. Oké, in de Nederlandse vertaling, om meer te genieten en minder te worstelen…

En ik werd in andere zin beloond. Het boek in de tas, gekocht bij Linnaeus Boekhandel, keek ik even in het boekenkastje schuin tegenover. Huh? Daar stond Kees Ouwens’ Een twee drie, vier…. Juist afgelopen week moest ik weer eens denken aan Ouwens, en dat ik zijn proza nooit las (wel zijn gedichten), iemand die – ook in proza – zijn eigen weg trok. Of ik die weg echt interessant vind, weet ik niet, maar het fascineert me wel, en zo nu en dan bekruipt me de zin om er iets van te lezen. Ouwens lijkt inmiddels zo goed als vergeten, en zijn boeken staan in de OBA niet meer op de plank (wellicht wel in het magazijn). En kijk, daar staan ook Helis’ mythe’, en De eenzaamheid door genot. Wie heeft dat hier neergezet? En een dichtbundel van Pink Poet en maker van decadente Eurotrash Patrick Conrad, met (wat mij betreft vrij afzichtelijke) illustraties. Nou ja.

Zo kwam ik thuis met niet één, maar vijf boeken die zich op verschillende manier voortkomen uit wat voor mij een 1970’s esthetica is. Of iets dergelijks.

(En voor wie het zich afvraagt, ik zet ook op gezette tijden boeken in zo’n kastje).

leesvoer,nl,quotations,reading matter | July 4, 2026 | 18:32 | Comments Off on Waarom (en wat) lees je? |

Wanneer las ik dat?

Wanneer las ik dat boek ook alweer? Dacht ik, toen er in een artikel over Anthropic weer eens werd verwezen naar Superintelligence van Nick Bostrom. Lang geleden. Ik vond het niet bijzonder interessant. Ik kan het opzoeken. Op 5 juli 2015 maakte ik deze aantekening in mijn leesdagboek:

‘Nick Bostrom’s Superintelligence doorgewerkt. (En eerder een pagina of 20 Hannah Arendt). Pfff, niet al te best – dat boek van Bostrom. Zijn conclusie is oké, maar ook ongelofelijk vanzelfsprekend (dat de Silicon Valley’s dat vergeten is een andere kwestie). De rest van het boek een filosofisch nogal arme, maar duidelijke uiteenzetting van wat AI en superintelligentie kunnen zijn. Filosofisch nogal arm, omdat hij, op het allerlaatste hoofdstuk na, nergens een stap terug of opzij lijkt te kunnen doen, om opnieuw te kijken of wat hij beweert niet een cliché is. Er zich geen reflexiviteit in het boek. Alsof intelligentie alles is. (En trouwens, wat er nu al gebeurt met het internet, maakt de mens al tot slaaf, en wat er gebeurt in de financiële wereld, richt de mens al ten gronde ten gunste van, ja, ten gunste van wat?) Dan is Arendt, 65 jaar eerder (of wat is het 70?) een stuk relevanter, vreemd genoeg.’

blogging,leesvoer,nl,reading matter,research,software,ubiscribe | June 25, 2026 | 9:46 | Comments Off on Wanneer las ik dat? |

0305 / 21 / 1.00

Against the Day II. Zelfde recept als gisteren. Eerst werken in de zon, dan naar het Amsterdamse Bos, Against the Day lezen in de zon, en terug.

cycling,leesvoer,nl,pynchon,reading matter | March 6, 2026 | 0:16 | Comments Off on 0305 / 21 / 1.00 |

Poetry to jailbreak AI

Kijk, zo nuttig en effectief is poëzie: je kunt er LLMs mee om de tuin leiden en ze dingen laten doen die ze eigenlijk niet zouden moeten doen, en meer. En als ik het goed begrijp is door mensen gemaakte poëzie daar nog beter in dan poëzie die weer met LLMs wordt gegenereerd. Hier, in een wetenschappelijk paper ‘Adversarial Poetry as a Universal Single-Turn Jailbreak Mechanism in Large Language Models’: https://arxiv.org/abs/2511.15304.

en,nl,reading matter,research,software,ubiscribe,writing | November 29, 2025 | 12:12 | Comments Off on Poetry to jailbreak AI |

Thomas Pynchon: Shadow Ticket

Eigenlijk had ik besloten geen stukje te schrijven over Shadow Ticket, de nieuwe roman van Thomas Pynchon. (En ik doe dat ook niet, want wat hier volgt zijn ‘ramblings’). Waarom zou ik ook een stukje schrijven? Er verschijnen genoeg recensies, en op bijvoorbeeld Biblioklept zijn uitgebreide en uitstekende leesannotaties te vinden. Wat zal ik daar nog aan toevoegen? Een flink aantal van de recensies die ik heb gelezen (zoals die van Pynchonkenner Luc Herman op De Reactor) wijzen op zwakke aspecten van Shadow Ticket, maar daar staat dan weer het lange stuk van de teruggekeerde William T. Vollmann (op Unherd) tegenover die – wat mij betreft – een uitstekende verwoording is van de daadwerkelijke leeservaring. Het is een laat werk, Pynchon is 88. Je weet, dit zou wel eens zijn laatste boek kunnen zijn, en je had geen groot werk meer verwacht. Shadow Ticket telt 300 pagina’s, en alleen al daarom is het een ‘minor work’. Het grote werk van Pynchon bestaat uit Gravity’s Rainbow, Mason & Dixon, en Against the Day. (In die volgorde). Daarna volgt V. – waarvoor ik altijd een zwak heb gehouden. En op plek 5, ja, plek 5 is zonder twijfel voor Shadow Ticket. Nog voor The Crying of Lot 49. (Waarom maken we van die lijstjes? Pynchon-lezers ontkomen er niet aan. De volgorde zegt iets over literaire voorkeuren en over literaire opvattingen. Zie daarvoor ook dit stukje van Biblioklept). Ik heb enorm genoten van Shadow Ticket, misschien wel meer dan van enig ander werk van Pynchon – ik bedoel als puur leesplezier, bij eerste lezing. Ik heb zelfs hardop moeten lachen – wat me zelden overkomt. Ja, de eerste lezing van Gravity’s Rainbow was een stuk intenser. Bij Mason & Dixon was de taal regelmatig een flink obstakel, terwijl bij Against the Day de lengte het leesplezier soms indamde (‘hoe lang zal ik nog met dit boek bezig zijn?). (Dat gezegd, toen ik Shadow Ticket uit had ben ik meteen Against the Day gaan herlezen – omdat romans van andere auteurs me niks bevielen – en ik las in bijna 1 adem de eerste 150 bladzijden, en weet zeker dat ik er veel meer van begreep en meer van genoot dan bij eerste lezing in 2006). (Ik denk, weet bijna zeker, dat ik met de jaren een betere en meer nauwkeurige lezer ben geworden).

Waarom schrijf ik dan nu toch een stukje over Shadow Ticket? De reden is fundamenteel; laten we zeggen fundamenteel literair. Het zwakke punt van Shadow Ticket is niet dat de lijntjes niet bij elkaar komen. (Wat dat betreft: aanleiding om een parallel te trekken met Oroppa van Safae El Khannoussi – die in haar roman Pynchon aanhaalt – (zeker een voorbeeld voor haar). Onder verwijzing naar deze discussie op De Reactor. Alleen moet ik dat niet doen, want ik heb Oroppa nog niet uitgelezen.) Ja, een zwak punt – vergeleken met de drie grote romans – is dat allerlei aspecten alleen aangestipt worden. Elementen in de romanwereld worden niet uitgewerkt, karakters krijgen weinig invulling, de grappen en grollen blijven aan de oppervlakte en zijn niet altijd even scherp. (Het werken met platte, stripfiguurachtige karakters is Pynchonterrein, maar er zit ‘meer vet op de botten’ van Mason & Dixon, en zelfs op die van Slothrop, dan op die van Hicks, hoofdpersoon in Shadow Ticket). Maar dat het plot nergens heen gaat, is geen zwak punt. Het gaat verder en verder oostwaarts, van de VS de oceaan over naar Europa, Oost-Europa in, om te eindigen in Fiume, en dat is het. (En we weten als lezer wel degelijk waar het naar toe gaat: naar de Tweede Wereldoorlog, naar nog meer onderdrukking, naar nog meer kolonialisme, nog meer inperking van vrijheid). Gravity’s Rainbow speelt zich af in de chaos van ‘The Zone’ van net na de Tweede Wereldoorlog, waarin grenzen voor heel even onduidelijk zijn, Shadow Ticket is een schets van de aanloop van de Tweede Wereldoorlog. En net als bijna alle romans van Pynchon gaat het over vrijheid, over de vraag wat vrijheid is.

En nee, al begint Shadow Ticket als een ‘noir detective’ ik ben niet geneigd om het te lezen in het licht van Inherent Vice en Bleeding Edge. Dat zijn – niet verrassend – mijn minst geliefde Pynchon-romans. Ik herinner me nauwelijks waar die over gaan (terwijl ik Bleeding Edge zelfs twee keer gelezen heb, en de verfilming van Inherent Vice heb gezien).

En ja, misschien is Shadow Ticket schetsmatig vergeleken bij Gravity’s Rainbow, de romanwereld zit wel vol met ‘dingen’ die ik me herinner, vaak gebaseerd op historisch materiaal – en soms pure fantasie. De rebelse onderzeeboot U13 – die een ‘underground’ ontsnappingsroute is voor mensen die moeten verdwijnen – de Vlad-boys, de ‘vierde rijder’ op de motor, een ondergronds netwerk van kortegolfzenders. Het idee van een kaasimperium is van een kenmerkende ridiculiteit, die tegelijk precies de goede manier is om te wijzen op de verstrengelingen tussen groot-kapitalistische industrie, mafia, en oorlog. Nou ja, al dat soort dingen. Daartegenover staat het verzet, de vrijheid, de jazz – in Shadow Ticket de opkomst van de swing. En Hicks is een danser. (Is hij een loser? Hij is geen held. Oké, hij is een danser, zoals losers dansers kunnen zijn, en zo toch ergens overwinnen, of vrij zijn). (Enzovoorts).

Goed. Dit schreef ik in mijn leesdagboek, toen ik Shadow Ticket net uit had: ‘Pynchon uitgelezen. Plan om mijn indrukken ‘op te tikken’ voor ik recensies lees. (…) Van genoten. Soort Gravity’s Rainbow-light. Reis naar het oosten, dieper de geschiedenis in. Underground-connecties. Verzet tegen de heersende machten. Machteloosheid. Geen plot, wel paranoia – maar die paranoia vertaalt zich niet in een sluitend plot – dat is er niet. (Net als GR). En net als GR veel fantasie in de voorstelling van de chaos van het interbellum – met een netwerk van kortegolf-zenders, motorclubs, connecties tussen mafia, kaas-imperia, zakenlui,  machthebbers, opkomst van fascisme, en natuurlijk een mysterieuze onderzeeboot. En de swing – vermengd met klezmer – in de US (Milwaukee, Chicago) en Oost-Europa. Zeer vermakelijk met een heel serieuze ondertoon (maar wat betekent die ondertoon, waar wijst die ondertoon op? Het bestaan van stil verzet en ‘andere krachten’? (die nooit zijn te reduceren tot een duidelijke beweging).) Veel verwijzingen naar films – veel is als een film, melodrama, klucht, achtervolgingscenes, spionage-clichés, en uiteraard femme fatales, en even aantrekkelijk opstandige vrouwen. Het geheel kluchtiger dan GR. GR maar nu niet de ‘zone’ van 1945 na de Tweede Wereldoorlog, maar de ‘zone’ van Oost-Europa na de Eerste Wereldoorlog en de aanloop naar de tweede. De geopolitieke ‘mess’. En ook die van de US ten tijde van de depressie en de prohibition. Dat is het wel. Ja stijl – de Pynchon-stijl. Niets uitleggen, tenzij een paar regels verderop indirect. Geen woord teveel. Hoe deze verteller te karakteriseren? Het is niet Hicks – maar heeft wel zijn karakter. Terughoudend, uninvolved, maar eigenlijk wel involved, heel ‘cool’, weinig illusies koesterend, of geen, maar wel passies (jazz, swing, dansen), onafhankelijk in alles, vrij in alles – terwijl je eigenlijk in een situatie zit waarin van vrijheid geen sprake is. Vrijheid als thema van dit boek. Of het bestaan van een schaduw-ticket, een schaduwopdracht. De opdracht die je krijgt een afleidingsmanoeuvre, die het werkelijke doel verduisterd, in de schaduw stelt. (Hoe zeg je dat mooi?)’

En wat later, toen ik bedacht had dat ik niet over Shadow Ticket zou schrijven: ‘Heel leuk boek om te lezen, zeker als je GR gelezen hebt. Leuk boek ook, denk ik, om met anderen over te bomen. Herinneringen ophalen, referenties noemen. Maar ik heb geen aandrang om hierover te schrijven. (…) Toch is Shadow Ticket een stuk beter – ook in de opvattingen over politiek en vrijheid – dan de meeste hedendaagse fictie. En in die zin wel heel inspirerend. Ook al is het – in de referenties – een boek van een 88-jarige. (Hee, maar alles over swing vond ik dan weer heel leuk).’

leesvoer,nl,pynchon,reading matter,uitgelezen | November 7, 2025 | 12:57 | Comments Off on Thomas Pynchon: Shadow Ticket |

Twee componistenbiografieën: Otto Ketting en Peter Schat

Otto Ketting

In augustus als ik twee componistenbiografieën. Eerst die van Otto Ketting, door Elmer Schönberger, daarna, omdat ik toch bezig was, het eerste deel (deel twee zal helaas, zo begreep ik, nooit geschreven worden) van de biografie van Peter Schat door Bas van Putten. Beide boeken leende ik van de bibliotheek. Ik weet eigenlijk niet precies waarom ik van de bibliotheek thuiskwam met de biografie van Otto Ketting. Zag ik ‘m gewoon op de plank staan, en leende ik ‘m uit vage interesse, of had ik ‘m ooit op mn lijstje gezet van te lenen boeken, en zag ik ‘m nu op de plank staan? Tot mijn verbazing – ik was eigenlijk nog volop bezig met Proust, en was van plan Nicht Bette van Balzac te lezen – begon ik in de biografie van Ketting en hield ik pas op toen ik op de laatste bladzijde was.

Mensen die me de biografie van Ketting zagen lezen, probeerde ik uit te leggen dat ik het interessant vond om in die levensbeschrijving te ontdekken hoe een bepaalde vorm van cultuur is gebaseerd op een een specifieke culturele infrastructuur, en hoe die infrastructuur een bepaalde vorm van muziekcultuur en componeren mogelijk maakt. (Want waarom zou je, werkend in het domein ‘kunst en technologie’ een biografie van een helaas al bijna vergeten componist lezen?) Als die infrastructuur verdwijnt, verdwijnt daarmee ook een bepaalde vorm van cultuur. Het verhaal van Ketting’s muziek, en diens positie in het Nederlandse muziekbestel tussen eind jaren vijftig tot in de 21ste eeuw, intrigeerde me omdat het ook iets duidelijk leek te maken over de transformatie van de muziekcultuur – al is dat niet het hoofdthema van de biografie. Ik bedacht dat het soort componist dat Otto Ketting was, nu bijna niet meer bestaat. En dat dat eigenlijk bijzonder jammer is. Precies uitleggen waarom het soort componistenbestaan dat Ketting leidde (en daarbij horen opvatting van het vak, en opvattingen over wat goede muziek is) bijna niet meer bestaat (hoewel er nog steeds componisten zijn die op een vergelijkbare manier in hun levensonderhoud proberen te voorzien) vergt een uitgebreid muzieksociologisch onderzoek en betoog. Dat voert te ver. Voor nu. In plaats daarvan zal ik proberen uit te leggen wat me specifiek bleek te interesseren aan Ketting als componist.

Otto Ketting is voor mij – jaargang 1966 – een bekende naam. Niet zo bekend als Andriessen, maar wel één van de naoorlogse Nederlandse componisten die vanaf de jaren zestig naam beginnen te maken. Wie had je verder, Ton de Leeuw, Tristan Keuris, wat later Klaas de Vries, enzovoorts. Ik heb ook ongetwijfeld het een en ander van zijn muziek op de radio gehoord. Maar ik ben nooit naar een uitvoering van een van zijn werken geweest, en ik heb ook geen herinnering aan stukken van hem. Al herken ik hem op een foto (door die snor en later de bril met één mat glas), ik zou geen stuk muziek van hem herkennen. (Nu, na het lezen van de biografie wel, want terwijl ik las luisterde ik naar de vele fragmenten die Schönberger online heeft gezet, en naar orkestwerken die op Spotify staan). Ketting zat (net als andere Nederlandse componisten van zijn generatie – Andriessen uitgezonderd) – aan de rand van mijn gezichtsveld. Deels omdat een deel van zijn productie plaatsvindt voor ik de muziek begon te volgen (dus voor 1982), deels omdat mijn muziekinteresse zich in de loop van de jaren tachtig al snel richtte op free improv en jazz. Ik luisterde zeker wel naar de radio 4-programma’s met hedendaagse klassiek, en ik las er over. Maar het speelde zich in de periferie van mijn interesse af. (Tegelijk is het grappig dat ik wel degelijk muziek van Ketting kende – hij maakte immers de muziek bij een aantal overbekende films en documentaires, maar ik wist niet dat het muziek van Ketting was).

Daarom ben ik nu extra geïnteresseerd om over iemand als Ketting te lezen. Invullen van gaten in mijn kennis, achteraf beter leren de context leren kennen van de muziek waar mijn hart naar uitging, en de directe voorgeschiedenis daarvan. De hoofdlijnen ken ik wel: Andriessen en Reinbert de Leeuw – die waren zelfs op televisie. (Ik herinner me een programma met Reinbert de Leeuw, volgens mij ging het over Liszt, en vooral over het moment waarop het Westerse tonale systeem uiteen begint te vallen, De Leeuw speelt een specifiek akkoord, en legt uit. Zulke momenten – of ik het nu begreep wat De Leeuw uitlegde of niet – zijn richtinggevend geweest voor mijn interesse in muziek). De discussies over ontoegankelijkheid van nieuwe gecomponeerde muziek kreeg ik wel mee, en vond ik totaal oninteressant. Ik luisterde het liefst naar zogenaamd moeilijke muziek, andere muziek, avant-garde, nieuwe wegen, avontuurlijke muziek, onderzoekende muziek. Muziek om je prettig bij te voelen heeft me nooit zo geïnteresseerd – muziek die je aanzet iets te doen, die je energie geeft, die wel. Dat ik nu bijvoorbeeld in Ketting geïnteresseerd ben, is ook omdat ik me realiseer dat zijn muziek aan mij voorbij is gegaan. Natuurlijk, het gebeurt dagelijks dat je op internet de muziek van iemand opzoekt, omdat je wil weten wat het is of was, omdat je je realiseert dat je er nooit aandacht aan hebt besteedt maar er wel een mening over op na houdt. En vaak duurt dat een minuut of tien. ‘Oh, ja, zoiets. Misschien later nog eens naar luisteren’. Of, ‘oh, ja, zoiets, maar dat boeit me inderdaad helemaal niet’. ‘Oh, ja, dat, dat kende ik toch’. Maar Ketting pakte me.

Terzijde, Ketting is voor mij natuurlijk van een ‘eerdere generatie’. Ook daarom herinner ik me geen muziek van hem, daarom bevond hij zich in de periferie van mijn interesse. De eerste composities van Iannis Kyriakides en Michel van der Aa herinner ik me wel – daar convergeert de hedendaagse gecomponeerde muziek met mijn interesse, komt ze een geluidswereld in die ‘de mijne’ is, of vormt ze een klankwereld die ik als de mijne herken.

Schönberger’s biografie is helder, gebaseerd op uitstekend onderzoek, en voorzien van heel veel documentatie – op de bijbehorende website – waaronder uren aan muziek. Hij gaat gelukkig vooral over de muziek die Ketting schreef, en minder over zijn persoonlijk leven. Zijn persoonlijk leven (gedoe met vrouwen, problemen met zijn gezondheid) komt voor zover van belang wel aan de orde (en soms zou je graag toch nog net wat meer weten: welke platen kocht hij verder nog? Wat was zijn werkschema?). Ook de culturele context komt alleen aan de orde in relatie tot het componeren en de muziek van Ketting. In dit boek geen brede beschouwingen over alles wat er indertijd in de muziek en daarbuiten gebeurde, waarbinnen dan Ketting’s muziek wordt geplaatst. De methode is andersom: focus op de muziek van Ketting, en wanneer dat nodig is de context. Want voor Ketting is componeren vooral een vak. Muziekmaken is een kwestie van vakmanschap. Niks quasi-diepzinnigheden over kunstenaarschap, niks diepe inzichten, speciale gaven, specifieke gevoeligheden die gewone mensen missen. ‘Inspiratie wantrouw ik ten zeerste’ zegt Ketting in de documentaire uit 1997 van Kees Hin. Ook daarin komt hij – net als in de biografie – naar voren als een nuchtere vakman. Dat wil zeggen: als iemand die precies weet hoe je de noten kunt laten klinken, hoe je van klanken muziek kunt maken. Ook een componist die wil experimenteren, niet bang is om iets uit te proberen. Weliswaar komt in die documentaire het een en ander voorbij over de visie van de kunstenaar en het diepe voelen en het lijden en die hele romantische rimram, maar dat komt niet uit de mond van Ketting. (Het is Margriet de Moor die zulk soort dingen impliceert, en een beetje de geëxalteerde musicoloog en Ketting-fan Maarten Brandt die uitlegt wat er zo goed is aan Ketting’s muziek).

Ketting’s vakmanschap leidt in combinatie met zijn verlangen om nieuwe dingen te proberen tot heel sterke muziek. Het klinkt, staat, intrigeert. De klankopbouw is prachtig, de instrumentatie ook. Je denkt: dit is fantastisch om te spelen. Hoe hij voor trombones schrijft! Het is veel ‘sterker’ dan ik had verwacht, ook de oudere stukken. Zelfs Collage 9 – wat eigenlijk een raar anti-stuk is uit de tijd toen alle componisten bezig waren om grenzen op te rekken – weet nog te intrigeren. Ketting heeft altijd zijn eigen weg gezocht. Ik vermoed dat ook daardoor zijn muziek nu nog steeds zo goed klinkt. Met passages voor koperblazers waarin je de voicings van de jazz (Kenton, maar ook Gil Evans) hoort – zonder dat het op jazz lijkt. Ketting sloot zich niet aan bij de serialisten, bij geen enkele club. Nee. Hij schreef muziek. En als hij geen opdracht had voor een orkestcompositie, dan schreef hij goede stukjes voor film of toneel. En daaruit blijkt zijn vakmanschap. Natuurlijk, het is allemaal Alban Berg, Stravinsky, Aaron Copland, en wat jazz – en dus niet Boulez, Stockhausen, of Reich. (Time machine dendert als Andriessen, maar komt niet uit Reich of minimalisme, maar uit Copland, Stravinsky en jazz). Kortom, wat ik las (maanden op tournee met een slechte Glenn Miller-cover big band; fijn jazz spelen met vrienden, later componeren – wat hij eigenlijk al kon, dankzij zijn vader) en wat ik hoorde, vond ik een voorbeeld van, wel, hoe muziekcultuur kan werken (en ooit werkte). Waarom componeert Ketting? Natuurlijk, omdat hij muziek ‘hoort’, en die wil uitvoeren, of laten uitvoeren, maar ook omdat anderen hem er om vragen (een orkest geeft een opdracht). Het is niet meer dan een natuurlijke gang van zaken dat hij componeert (en alles wat daarbij komt, muziek luisteren, partituren bestuderen, ideeën uitschrijven, subsidie aanvragen, overleggen, vergaderen, lesgeven), en het is (lijkt) niet meer dan vanzelfsprekend dat er in een samenleving mensen zijn die zijn muziek willen horen (want je wilt toch nieuwe muziek horen?), en dat er dus een hele infrastructuur is ontstaan die zoiets mogelijk maakt. Met orkesten (die tijd hebben om te repeteren), met een conservatorium en muziekscholen, met mensen die zelf als amateur muziek maken, met financiële ondersteuning (want je moet eten), met mensen die er over schrijven – en dan niet alleen uit PR-overwegingen, maar om te reflecteren op de muziek, om je mening te vormen, om te begrijpen, de muziek verder te brengen, een dialoog aan te gaan, een manier om in tekst op hetzelfde niveau te opereren (en te praten) als de componist en de musici. Zo’n infrastructuur ontstaat (en bestond deels) in de tijd van Ketting. Toen hij begon was er een overvloed aan orkesten – omdat live muziek nog centraal staat in de muziekcultuur (er is wel radio, maar het orkest of het bandje is nog niet vervangen door de DJ of de playlist). Er was in die zin ‘veel muziek’. Ketting heeft bijgedragen aan die infrastructuur; hij behoort tot de generatie componisten die zich hebben ingezet voor betere beloning, voor stipendia, enzovoorts. En aan het einde van zijn leven zie je dat die infrastructuur – om verschillende reden – al aan het verdwijnen is, afkalft, aan waarde inboet (want waarde wordt puur economisch, PR-gebaseerd, niet gebaseerd op een idee over ‘goede muziek’). Daar zijn verschillende redenen voor, sommige van die redenen zijn misschien zelfs positief, maar ze werken op een negatieve manier op elkaar in. Natuurlijk, we hebben nog Michel van der Aa, Calliope Tsoupiaki, Iannis Kyriakides, Kate Moore – maar al zou ik hier makkelijk twintig, dertig componisten kunnen noemen, ik vraag me af hoeveel ‘gewicht’ ze dragen, en hoe precaire hun situatie is – cultureel en financieel. (Niet dat ik de indruk heb dat Ketting zo fantastisch verdiende, maar hij kon wel rekenen op een steady stroom opdrachten, zijn werk werd steeds meermaals uitgevoerd, kwam op de radio (waar vind ik de online ‘channels’ met hedendaagse Nederlandse muziek? – en dan bedoel ik niet van die PR-gerichte channels, als over de dag van de componist of iets dergelijks. Ja, de Concertzender… maar dat is ook al sinds 1984).

En ja, als je dan de productie hoort van Ketting, met al die werkelijk schitterende stukken – die toch echt veel instrumentalisten en goede orkesten nodig hebben om tot klinken te komen – dan vraag ik me echt af: waarom hebben we hier niet veel meer van? Waarom kunnen we geen muziekcultuur blijven ontwikkelen waarin Otto Ketting-achtige componisten werk kunnen maken? Waarom is het allemaal zo mager nu? (En natuurlijk heeft het ook iets te maken met Kettings benadering van de muziek, zijn benadering van het componeren, de diepgaande kennis van muziek, van theorie, hoe je van klanken muziek maakt, hoe je omzet wat je in je hoofd hoort, wat een logische of intrigerende of spannende ontwikkeling in een stuk muziek is, hoe je luistert, enzovoorts). Juist omdat Ketting las componist zijn eigen pad volgde, en nooit achter de mode aanliep, overtuigd zijn muziek nog steeds. (Natuurlijk, we hebben wel wat, maar hoe vaak kan bijvoorbeeld Modelo62 spelen, hoeveel composities kunnen zijn in opdracht geven, aan hoeveel nieuwe stukken kunnen zij werken, en hoe vaak kunnen die uitgevoerd worden?)

Peter Schat

Na het lezen van de biografie van Otto Ketting had ik zin om me nog verder te verdiepen in de ontwikkeling van de Nederlandse muziek in de periode 1950 tot heden. Jacqueline Oskamp’s biografie van Louis Andriessen staat nog niet in de bibliotheek (hmm, zal ik die kopen?), die over Reinbert de Leeuw heb ik gelezen, Oskamp’s Onder stroom en Een behoorlijk kabaal idem. En zo kwam ik toch uit bij Bas van Putten’s Alles moet anders, het eerste deel van diens biografie over Peter Schat. Die had ik ooit wel eens geleend, en de inleiding gelezen, maar de rest niet.

Mijn beeld van Peter Schat en zijn muziek is vaag, maar ik heb wel weet van de belangrijke momenten uit zijn carrière. Hij was, veel meer dan Ketting, een ‘aanwezigheid’, hij zorgde er voor dat de aandacht op hem werd gericht. Reconstructie, en daarvoor Labyrinth waren controversiële samenwerkingen waarmee hij muziekgeschiedenis schreef (of in ieder geval voor veel stof tot discussie zorgde), en waarover ik in de nodige andere boeken al veel heb gelezen. (Immers, aan Reconstructie deden ook onder andere Reinbert de Leeuw, Andriessen, Claus, Mulisch en Mengelberg mee). Over Houdini, zijn circusopera, weet ik dan weer niks, maar ik kan me wel de ophef herinneren omdat het in de kranten stond, ongeveer op het moment dat ik muziekrecensies begon te lezen. In 1982 – het jaar waarin ik de muziek serieus begin te volgen – presenteert hij zijn Toonklok. Ook dat herinner ik me. Met mijn beperkte muziektheoretische kennis heb ik jarenlang gedacht dat het ongeveer hetzelfde was als de kwintencirkel (die ik ook maar half begreep, kennis daarover haalde ik uit de encyclopedie), maar wat me bijbleef was de shift van links naar conservatief rechts, waarmee Schat’s nieuwe muziek voor mij aan een kant terecht kwam die nou niet direct mijn interesse en sympathie had. (De nieuwe muziek in de jaren tachtig: Gorecki trok ik nog, van Arvo Pärt hield ik niet, Philip Glass vond ik een verschrikking, Canto Ostinato een marteling). Toen ik een jaar of twee geleden min of meer bij toeval een avondje Peter Schat luisterde, het was denk ik De hemel, vond ik die muziek eigenlijk best oké.

Het effect van het lezen van Schat’s biografie is tegengesteld aan dat van het lezen van de biografie van Ketting. Je krijgt gaandeweg steeds minder sympathie voor Schat als persoon, steeds minder voor zijn ideeën over muziek, en als je dan naar zijn composities gaat luisteren – beschikbaar op CD’s uitgegeven door Donemus – dan overheerst teleurstelling. Sommige stukken klinken bij eerste beluistering best interessant. Maar als je er dan meerdere achter elkaar luistert, en er nog eens naar luistert, en er nog eens in de biografie wat informatie over opzoekt, dan begin je te denken: wat is dit eigenlijk slecht… Het ene jaar zus, het volgende zo, elk stuk is een intrigerende aanzet tot een muzikale visie, maar wat er volgt is weer iets anders, een bij nader inzien niet zo heel goed stuk, met weer een andere benadering. Schat loopt steeds achter de modes aan, pretenderend dat hij – juist hij en niemand anders! – de modes net een stap voor is. Natuurlijk zijn ze best goed, die stukken. Ze zijn niet middelmatig, maar ze hebben de tand des tijds slecht doorstaan. Ze klinken als modieuze probeersels, waar Ketting stukken – zelfs zijn stuk voor orkest en jazzkwintet (dat het meest een ‘probeersel’ is), en zijn Collage 9 – na zoveel decennia, nog steeds weten te overtuigen, of op z’n minst intrigeren.

Dat effect is ongetwijfeld deels te wijten aan de biograaf, Bas van Putten, maar die doet Schat zeker geen onrecht. Van Putten begint zijn boek met een lange inleiding waarin hij zijn persoonlijke positie ten opzichte van Schat beschrijft. Elmer Schönberger kende Otto Ketting persoonlijk, en verkeerde in min of meer dezelfde kringen. Voor Schat is Van Putten een muziekjournalistje van beperkte importantie, en de sociale kringen rondom Schat en die waarin Van Putten verkeert raken elkaar nauwelijks. Van Putten beschrijft zijn reserve ten opzichte van de figuur Schat, zijn twijfels, en hoe hij overtuigt raakt van Schat’s muziek door het schrijven van de tekst voor de CD-uitgaves van Schat’s vroege werk. En, zo stel je je voor, dan gaat hij aan het werk, en gaandeweg begint hij zijn onderwerp te haten en nog meer te haten. Wat een vervelende persoon, wat een zelfingenomenheid, het universum draait om Schat, een mythomaan die achter elke mode aanloopt uit naam van de zogenaamde revolutie die moet komen, en daar, als de mode een andere kant uitgaat, bijdraait en en even drammerig zijn schuld belijdt en vind dat anderen dat ook moeten doen. In de dagelijkse omgang blijkbaar zeer charmant en overtuigend, maar ook, mede daardoor, uiterst onsympathiek, zeker als je er van een afstandje naar (terug)kijkt. Van Putten documenteert dat allemaal zeer kundig, maar verstopt zijn irritatie niet.

Nu wordt het wat ingewikkeld. Want ik vind Van Putten doorgaans irritant. Hij is van mijn generatie, en een vertegenwoordiger van wat ik vroeger de ‘colbertjesbrigade’ noemde. De mensen, meest uit eigen kring, die colbertjes gingen dragen om zich zo van de waardering van wat zij als hun ‘peers’, zagen, namelijk mensen op posities met meer macht, posities die zij graag wilden gaan bekleden en waar ze doelgericht naar streefden. Oké, niks op tegen, zo zit de wereld in elkaar, maar het is niet mijn manier geweest. Ik ben wellicht te recalcitrant, zoek juist naar andere, nieuwe wegen. (Daarom kwam ik in de nieuwe media terecht, en ga ik nog steeds naar concerten waar soms maar 10 man publiek op afkomt). Ondertussen waren zij natuurlijk een stuk realistischer dan ik. Misschien had ik het allemaal niet zo erg gevonden als Bas van Putten daarnaast zou schrijven voor de Fiets of De Muur, maar hij schrijft al jaren voor Autoweek. Voor mij klinkt dat als politiek-cultureel gezien rechts-conservatief. Ik haat auto’s. Van Putten is heel goed in zijn kritische filering van links-revolutionaire pretenties in de muziek – en trouwens ook andere pretenties. Vaak sta ik net wat sympathieker tegenover die links-revolutionaire pretenties, en des te irritanter is het dan om te moeten toegeven dat Van Putten in veel, zo niet alle gevallen, gelijk heeft (achteraf gezien) en terecht pretentieuze ballonnen doorprikt. Bovendien schrijft hij donders goed. En – nog irritanter – inzake de waardering van de muziek ben ik het ook vaak met hem eens, en zijn verdediging van allerlei volgens anderen ‘moeilijke’ muziek is spot-on, waardevol en zeer prijzenswaardig. Oké, misschien houdt hij te veel vast aan een idee van moderne muziek (namelijk muziek geschreven door een individu, met gebruik van zo geavanceerd mogelijke middelen), en (maar dat weet ik eigenlijk niet) kan hij nieuwere ontwikkelingen (Raven Chacon, Catherine Lamb) niet smaken, Hij vindt ongetwijfeld de meeste nieuwe elektronische muziek slecht of oninteressant vergeleken bij Boulez of Nono (maar ook daar zou hij tot op zekere hoogte een punt hebben). Wat ik wil zeggen: elke keer als ik een stuk van Van Putten lees, betrap ik mezelf op deze irritatie, betrap ik mezelf erop dat ik denk iets met hem heb uit te vechten te hebben, waardoor mijn eigen positie inzake muziekcultuur hopelijk sterker of helderder wordt. Van Putten zit zelf natuurlijk in een even moeilijk parket: hij vertegenwoordigt en verdedigt met overgave een burgerlijke cultuur en een burgerlijke beschaving van zeer hoog niveau, die in de periode waarin hij actief is, sterk aan waarde inboet, en waarvan het economisch fundament langzaam ineenstort, ook door teruglopende overheidsondersteuning. (Want de waarde voor de samenleving wordt niet meer ingezien). Er is niets wat Van Putten daartegen kan doen. Zijn ‘peers’ gaan niet meer – om zich te onderscheiden (distinctiedrang, denk Bourdieu) – op de zaterdag naar de nieuwe opera van, zeg Robin de Raaff, en als ze zouden gaan, dan verdienen ze daar geen enkele ‘kudo’ mee van hun meerderen. (Die ‘kudo’s’ krijg je door mee te doen met de marathon, of een triatlon). De culturele waarde van wat Van Putten het meest waardevol vindt, telt in de huidige samenleving niet meer. (Maar die auto’s, waarover hij ook schrijft, die zijn vreemd genoeg nog altijd belangrijk). Anyway, zeg ik dan. You get my drift. Die burgerlijke cultuur was zo slecht nog niet, maar ik heb liever een andere. Terug naar Schat.

Van Putten lost in zijn biografie van Schat het probleem van zijn toenemende irritatie over de persoon Schat en zijn mythomanie op door veel aandacht te besteden aan de context waarin Schat opereert. Er is een mini-biografie van Kees van Baaren, een lang essay over de ideeën van Pierre Boulez, heel veel bladzijden gaan over het Amsterdam van de provotijd waarin Schat verzeild raakt. Wel tien pagina’s zijn een samenvatting van Boon’s Paradijsvogel, de roman waarop Schat het script voor Labyrinth baseert. (Het enige boek van Boon – ik lees graag Boon – waarvan ik niets begrijp). Veel tekst rondom Reconstructie. Bijna altijd zijn die gedeeltes een stuk interessanter dan de passages over het persoonlijk leven van Schat. Die begon ik op den duur zelfs over te slaan. Help, wat een ingewikkelde man. Gereformeerde achtergrond, loskomen van God, problemen met zijn eigen homoseksualiteit. Het schreeuwt allemaal om een diepgaand psychologisch of psychoanalytisch portret – en laat ik daar nou net helemaal niet in geïnteresseerd te zijn (en Van Putten ook niet).

Geef me de muziek! Het portret van de muziek van Schat wordt gaandeweg ook onsympathiek. In het begin is Schat nog de opkomende jonge componist die aansluiting zoekt en vindt bij de meest vooruitstrevende muziek. Dodecafonie! Serialisme! Boulez! Elektronische muziek! Stockhausen! Avontuur! Hij is bij de tijd, wil vooroplopen, en sluit zich aan bij het nieuwste van het nieuwste. Zijn werk wordt uitgevoerd, ook internationaal, hij krijgt aandacht, wordt over het algemeen goed ontvangen, en men ziet in hem een groot talent. Achteraf ontstaat het beeld van iemand die voorop wil lopen, de laatste modes volgt, maar ook iedere keer tekortschiet. Alsof hij het net niet begrijpt, alsof hij intellectueel net tekortschiet en dat probeert te verdonkermanen door voor de volgende mode te kiezen. Hij leert niet van zijn echecs, hij buigt ze in zijn voordeel om. Hij is de mythomaan. Hij hangt verhalen op, en de mensen om hem heen geloven hem. Wat hij met het 31-toons Fokker-Huygens orgel doet, klinkt nu niet zo indrukwekkend. En de elektronische composities, of de elektronische passages, zijn die van Schat of meer het werk van Frits Weiland? En dan komt, na de Boulez-fase en de Stockhausen-fase het moment van het totaaltheater. Weer iets anders. En er is provo, Schat verhuurt zijn kelder. Labyrint is, muzikaal gezien, vooral chaos, het leidt tot veel ophef en controverse, en – opnieuw achteraf gezien – is het de vraag wat de waarde ervan is, voorbij de ophef. Voor Reconstructie geldt dat in mindere mate – ook veel ophef – maar het lijkt om iets wezenlijkers te gaan. (Labyrint, waar ging dat dan over? Ondanks de meer dan 100 pagina’s die Van Putten er aan wijdt, begrijp ik het nog steeds niet. Wat een onding. Wat overblijft is de grote acteur Ko van Dijk en boksers tussen al die musici). Politiek bij de tijd was Schat. Van Putten zet het heel mooi neer, en weet met enkele regels prachtig de posities van Misja Mengelberg (die zich aan de overtrokken politisering onttrok) en Konrad Boehmer (die wel even liet zien, met ironisch en staalhard Stalinisme, dat het die makkers van Schat, en vooral Schat ontbrak aan werkelijk politiek inzicht). En, zo stel ik me voor, nadat Van Putten al die literatuur over Labyrint en Reconstructie had gelezen, alle recensies doorgevlooid, alle daaraan gewijde essays bekritiseerd, aangevuld met informatie uit het archief van Schat, en dat allemaal mooi had samengevat en opgeschreven, toen had hij er echt helemaal genoeg van. Toen dacht hij aan wat er nog moest komen…

Hoe graag had ik dat willen lezen – want er gebeuren daarna in de carrière van Schat na 1968 intrigerende dingen. Hij gaat op straat spelen, laat zich in met circus en theater, schrijft Houdini, en het lijkt dat hij echt politiek wordt, of zich met de straat en het volkse inlaat. (Wat vreemd is, want in de jaren zestig houdt hij het bij MES heel snel voor gezien, ‘tabee, ik ga meesterwerken schrijven’. En op enige feeling voor jazz of popmuziek is bij Schat geen sprake. De totale afwezigheid van de jazz – die toch voor bijvoorbeeld Andriessen en Ketting van belang was – kenmerkt hem ook als een componist die eigenlijk puur vanuit het verhaal van de westerse klassieke muziek denkt te moeten werken). Ik zou graag eens iemand een vergelijking zien maken tussen de ontwikkeling van Peter Schat (de charmante handigerd, de mythomaan, de faker) en die van Cornelius Cardew (de oprechte, de staalharde principeridder, die ook springt van Stockhausen, naar grafische partituren, naar geïmproviseerde muziek, naar deuntjes voor protestmarsen, en lid wordt van een vrij obscure hardline communistische groepering). Cardew werd in 1981 aangereden door een auto en overleed. Schat maakte – geheel in lijn met de mode – begin jaren tachtig een ruk naar rechts, werd conservatief, of occult misschien, en probeerde zijn Toonklok te slijten als de oplossing van alle problemen met tonaliteit in de Westerse muziek. (Dat is trouwens evengoed in lijn met Stockhausen die zich met zijn clubje volgelingen terugtrekt in een eigen universum en met zijn formuletechniek het ene na het andere hoofdstuk van zijn Licht, die sieben Tage der Woche genereert.) En dan, na 1982, volgt er nog een flinke productie aan symfonieën, maar Schat heeft dan al lang zijn centrale positie in de Nederlandse muziekcultuur verloren.

Ik kan me helemaal voorstellen dat Van Putten er helemaal geen zin meer in had. Misschien werd duidelijk dat een biografie van Schat na 1982 (zijn vrouw is overleden na een ongelukkige val op vakantie, hij geeft toe aan zijn homoseksualiteit) niet ontkomt aan psychoanalytisch ‘gedoe’. Het beeld van een componist met ‘gezonken statuur’, die zich nu ontpopt als homoseksuele conservatief die zijn companen van toen verwijt dat ze geen excuses maken voor hun linkse verleden, en tonale symfonieën schrijft op basis van een zelfontwikkeld systeem dat verder door zo goed als niemand serieus wordt genomen… Ik zou er ook geen biografie van willen schrijven. Toch intrigeert het me, en ik had wel graag gelezen ‘hoe het verder ging’ na 1969. Al was het alleen maar om het tijdsbeeld: de ontwikkeling van de ‘vooroplopende’ Nederlandse cultuur tussen 1970 en 1982. (Daarna, hmm).

Elmer Schönberger: Inspiratie wantrouw ik ten zeerste, Prometheus, 2022
Bas van Putten: Alles moet anders, Open Domein, 2015

music,nl,reading matter,research,uitgelezen | September 3, 2025 | 15:11 | Comments Off on Twee componistenbiografieën: Otto Ketting en Peter Schat |

West-Papoea

Uitstekend uitleg van de achtergronden en geschiedenis van de vergeten en meestal verzwegen onafhankelijkheidsstrijd van West-Papoea: https://jacobin.nl/gijzelingen-in-west-papoea-zestig-jaar-verzet-zonder-gehoor/.

Mn vader (1942-2010) was er in 1962 (of 1961, dat zou ik na moeten zoeken), als diensplichtig militair bij de radiodienst, voornamelijk op Biak. Het verraad van Luns (de minister die toegaf aan de druk van Kennedy en de grotere belangen van geld en macht) – zo noemde hij het (Luns was sowieso niet te vertrouwen). Hij was sindsdien fel anti-Amerikaans (ook later als zeer gewaardeerd PvdA-politicus). Immers, in zijn visie was hij daar geweest om de onafhankelijksheidsstrijd van de Papoea’s te ondersteunen, en die waren verraden.

(Uit zijn schaarse verhalen was af te leiden dat de militaire organisatie een zootje was, – slechte of ontbrekende bevoorrading (geen eten), corrupte officieren, en een totaal zwijgen over Papoea-slachtoffers.) (Maar dat is hoe hij het voorstelde. Tropenkolder noemden ze dat).

nl,reading matter | May 29, 2024 | 12:40 | Comments Off on West-Papoea |

Now out: Sonic Acts Ecoes 5

The fifth issue of Sonic Acts’ magazine Ecoes is out. It has my interview with Philip Vermeulen in it. It also features Alice Johnston Rougeaux, Anastasia (A) Khodyreva, Annika Kappner, Brackish Collective, Éric La Casa, Hannah Pezzack, Hannah Rowan, Jac Common, Karen Bakker, Katy Lewis Hood, Lucia Dove, Maud Seuntjens, Rita Wong, Stefanie Hessler, Tarek Atoui, Therese Keogh, and Tomoko Sauvage.

Get it here (€7,50 + posting): https://shop.sonicacts.com/product/ecoes-5/.

en,free publicity,leesvoer,nl,reading matter | June 22, 2023 | 11:53 | Comments Off on Now out: Sonic Acts Ecoes 5 |
Next Page »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 2.5 License. | Arie Altena