Ubiscribe presentation

This is already from last week (21th May): the presentation of the Ubiscribe POD. Only now I’m beginning to realize what we’ve done…

PS, left to right: your blogger, Inga Zimprich, Jouke Kleerebezem, Sandra Fauconnier, Claudia Hardi.

en,free publicity,research,ubiscribe | May 31, 2006 | 13:06 | comments (0) |

Accessible and supra-culture

Samuel (Vriezen — he again — Dutch experimental composer) writes today something worth quoting on http://blogger.xs4all.nl/sqv/archive/2006/05/30.aspx.

“Experimentele kunst is supracultureel omdat ze zich niet wil beperken tot een of andere vaststaande cultuur. Enerzijds verklaart dat waarom het normaal is om experimentele kunst ontoegankelijk te vinden – geen houvast. Anderzijds verklaart het waarom die kunst vaak zo toegankelijk is – iedereen is gelijk voor deze kunst. Als je de knop maar kan omzetten. De muziek van Xenakis wordt pas muziek voor je als je haar kunt horen op haar termen: klankwolken, nevels, draaiende oppervlakten, massa’s, chaos en orde, boomfiguren: en dat zou even moeilijk of makkelijk kunnen zijn voor iedereen, onafhankelijk van met welke muziekstijl hij of zij is opgegroeid.”

In quick english translation:

“Experimental art is supra-cultural because it does not limit itself to one or another fixed culture. Nothing to hold onto. On the other hand this explains why this kind of art is often so accessible — everybody is equal for this kind of art. As long as you are able to switch the button in your head. The music of Xenakis only becomes music when you are listening to it on its own terms: clouds of sounds, mists, revolving surfaces, masses, chaos and order. That should be equally difficult or easy for anybody.”

I can only agree. Xenakis is not difficult music. It is accessible. (And no, there’s no irony here. But there is fun.)

Btw: Samuel searches for a better term than “supra-cultural”.

en,music,quotations | May 30, 2006 | 11:27 | comments (0) |

Movies…

And saw 2 recent movies that F and me both liked. That’s rare, since I’m particularly critical towards contemporary movies. Hardly ever see one that I really like. So saturday Cache by Michael Haneke, and sunday Code 46 by Michael Winterbottom. One is perfectly made, and very precise in its statements (Haneke). The other can be criticized, because some of the scenes are too easy, as if it’s just a ‘quick job’ (Winterbottom).

Okay, Code 46 is about 15 minutes too long (some scenes are stretched to get to the 1.25 mark), but it’s exactly what a movie can be nowadays: good subject matter, told aptly and straightaway, good acting, okay script. ‘Now go and do it.’ One almost wonders why so many others fail. But I suppose that shows the talent of Winterbottom (whose ‘oeuvre’ to me, in the beginning, seemed, well, not so interesting at all; it has the smell of mediocrity).

F. thought that Cache was scary. I think Code 46 is way scarier — this sketch of a future society seems very, very close. Of course that’s because it exploits issues like exclusion, immigration, illegality –.

en,free publicity | May 29, 2006 | 22:44 | comments (0) |

46 / 1.50

Moe uit de trein: dan maar een klein rondje. Wolken, soms een zonnetje en uiteindelijk vanaf Bunde tot in Kanne een zware bui met windstoten. 16.00 – 18.00. Zoals je naar Wandre kunt rijden voor 3 klims, zo kun je ook naar Guelle voor 3 klims.

Kanne – Maastricht – Julianakanaal – Guelle – Snijdersberg – Slingerberg – Moorveld – Kasen – Bunde = Dennenberg af, op, regen begint en weer af – Brommelen – Julianakanaal – Maastricht – Kanne

cycling,nl | May 29, 2006 | 22:23 | comments (0) |

Tijdschriften… / elektronische literatuur

Hier zijn ook de tijdschriften gearriveerd, net als bij De Contrabas (http://decontrabas.typepad.com/de_contrabas/2006/05/tijdschriftenwe.html). D.w.z. ik kocht ze bij Atheneum, gisteren: de Yang — nog altijd verreweg mijn favoriet, en ook de Parmentier. En jawel Chretien, ditmaal is de Yang een stuk minder academisch dan de Parmentier.

Vanochtend/vanmiddag (trein Amsterdam – Maastricht) een groot deel van het dossier ‘elektronische literatuur’ van de Parmentier doorgenomen. Mijn stukje voor de nieuwsbrief van het Fonds voor de Letteren is af en vrijdag ‘op de e-mail’ gegaan, daarover dus geen zorgen. Ik kan nu niets meer veranderen. En blij om te merken dat er in de Parmentier niets ‘schokkends’ staat, niets dat ik had gemist en had moeten weten. Niets nieuws. (Blijkbaar is t dus nog meer ‘mijn’ onderwerp dan ik dacht…)

Ik heb wel kritiek ;-) Ten eerste vind ik het jammer dat de ‘elektronische literatuur’, toch weer, teveel wordt opgehangen aan het issue van mediumspecificiteit (ja, ondanks het feit dat juist dat aspect onder vuur wordt genomen). Jammer ook dat het dossier nogal hangt op artikelen waarin wordt geprobeerd de ‘elektronische literatuur’ te definiëren. Dan kom je dus uit bij een smal genre ‘elektronische literatuur’, terwijl de hele verschuiving of transformatie van de cultuur en de literatuur onder invloed van digitalisering + netwerken, veel fascinerender en belangwekkender is.

Neem het openingsessay van — uiteraard (en terecht) — Jan Baetens. Niets ten nadele van Baetens, ik heb veel van z’n artikelen gelezen, en hij is absoluut DE kenner. Bovendien is hij ook uitstekend op de hoogte van het hele nieuwe media-discours (zeg Manovich, Hayles en al die MIT-boeken) en dat is noodzakelijk. Baetens signaleert kwesties die interessant zijn en die een precieze ontrafeling waard zijn, maar ga je daarop in, verzeil je in een (ongetwijfeld razend leuke) academische discussie die zich nogal snel loszing (kweet, een woord dat ik te vaak gebruik) van de artistieke praktijk. Ik vind zijn artikel te academisch.

(Ja, het is een academisch paper, en ja, damn, ik moet zelf deze week zo’n paper schrijven — hum).

Ik vind het jammer dat Baetens er vooral een definitiekwestie van maakt. Ik vind het jammer dat hij het weer teveel ophangt aan de hypertekst, de geanimeerde poëzie en wat daaruit voortkomt. (Er & het = de e-lit). Ik merk dan dat ik zo’n stuk heel snel ga lezen, I sort of know what it’ll be about. En dat is jammer (zoveel woorden…). Ik ken de discussies, ik weet al wat ik ervan kan gebruiken en wat niet en waar ik tijd aan wil besteden en waaraan niet. Ik signaleer de nieuwe wegen die de discussie inslaat en that’s it.

Even opscheppen. Anno 1996 — of was het 1995? — gaven Eric Vos (later met Baetens samensteller van het DWB-nummer over elektronische literatuur, meermaals aangehaald in deze Parmentier) en uw blogger aan de UvA een college over elektronische literatuur. Onder de deelnemers o.a. Ward Wijdelts en Gijsbert Kramer en, als ik me niet vergis, Teike Asselberghs. Tis dus niet dat t met allemaal te moeilijk is ofzo.

Ik ben enerzijds te geïnteresseerd in de ‘traditionele poëzie’ (ik ren wel naar de boekhandel om de nieuwe Van Bastelaere te halen, zoals ik ook zal doen als Jeroen Mettes een bundel uitbrengt), anderszijds in een veel breder perspectief van culturele transformatie. Voor een micro-analyse van Eric Sadins Tokyo heb ik dan niet het geduld.

Liever lees ik dan Islamitische meisjes van Jeroen Mettes vier keer. “God heeft alle Islamitische meisjes op MSN”.

Dan is er het stuk van Philippe Bootz. Tja, om Bootz kun ook niet heen. Daarin onder andere een uitstekend overzicht van de ontwikkeling van computerliteratuur, van de permutaties van Lutz en Gysin, via tekstgeneratie (Bense en Moles worden genoemd), naar — eerste culminatiepunt — Les Immateriaux, (1985, tentoonstelling verzorgd door Lyotard). OULIPO en LAIRE komen voorbij, en tja, het is allemaal nogal Frans getint, met een heel klein beetje Amerika. Allemaal bekende voorbeelden uit de Bootz-hoek, de avant-gardehoek. Wie slechtgezind is, ziet een te doorzichtige poging tot canonvorming, of promoten van de eigen avantgarde.

Wat ik totaal mis in de stukken van Bootz en Bouchardon is het bredere perspectief. Bij Bootz slik ik dat nog, maar dat Bouchardon, die het nota bene exclusief heeft over het interactieve verhaal geen enkele maal refereert aan de huidige computer/rollenspellen als Everquest of World of Warcraft of een van de vele andere uiterst succesvolle ‘implementaties’ van interactieve narrativiteit voor het grote publiek, is tekenend voor zijn enge, misschien zelfs benauwde perspectief. Natuurlijk (?) is World of Warcraft geen literatuur, maar door zulke referenties niet te maken scheppen Bouchardon, Booth en zelfs Baetens een beetje, de indruk dat ‘elektronische literatuur’ zich aftekent tegenover (zelfs afzet tegen) de papieren literatuur. Terwijl ze wordt gemaakt en geschreven in een levendige on- en offline wereld.

Ik werd zelfs een beetje boos. (Zie volgende paragraaf).

Bouchardon eindigt zijn stuk met de zin “Men kan zich afvragen in welke zin computerliteratuur niet in de eerste plaats theoretische literatuur is over de literaire activiteit, een kritiek die nadenkt over literaire handelingen”. Kijk, ik hou van de meest extreme vormen van literatuur, maar een dergelijke zin kan alleen getikt worden in een — laat ik eens een cultureel vooroordeel bezigen — ‘Frans kunstklimaat’, waar er blijkbaar mensen zijn die hartstochtelijk geloven in hun eigen theoretisch goed dichtgemetselde mini-avantgarde-van-ouderwetse-snit. Zucht. Natuurlijk is er zulke “theoretische” literatuur — en goed mogelijk dat ik zulke literatuur zelfs razend spannend vind; maar het is nooit alleen dat, en bovendien is het, zolang het zich verre houdt van wat mensen daadwerkelijk met tekst en al klikkend en surfend on- en offline doen, een nogal marginaal interessante, tja, ik vrees academische kwestie. Ik vrees dat deze avant-garde niet ‘supra’ is (om de term van Samuel Vriezen te lenen).

Ik vind dat des te irritanter omdat Bouchardon verder een hartstikke bruikbaar en heldere analyse geeft van de verschillende aspecten van (literaire) interactieve teksten.

Veel blijer word ik dan van het stukje van Hans Kloos. Daar vind ik de connectie tussen theorie en praktijk, de vertaling van theorie naar praktijk, en andersom. (In plaats van het poneren van theoretische hypotheses).

En gelukkig is er dan Wormgoor van Han van der Vegt — de Orfeo et Euridice – mythe, in de vorm van een walkthrough. Zo’n gedicht drukt veel directer uit wat er met taal gebeurt in het tijdperk van de computergame. Het is dan wel geen elektronische literatuur, maar het is een veel beter voorbeeld van hoe poëzie verandert (en: dat ze springlevend is).

Tenslotte is er nog Niels Bakker. Die noemt tenminste wel GoogleBooks, en het normaal worden van lezen van scherm, en hij suggereert voorzichtig — op autoriteit van Barend van Heusden, terwijl hij, jaargang 1981, voor zichzelf zou moeten spreken — dat papier voor jongste generaties de dynamiek mist die de elektronische tekst wel bezit.

(Euh: ik heb een paar keer lesgegeven aan zo 18 a 22-jarigen, op een HBO, enne, dat is natuurlijk geen representatieve steekproef, bovendien deden ze iets met ICT, maar euh, boeken, zo had ik de indruk, bestonden feitelijk niet voor hen — en als wel, dan als pdf van een torrent getrokken, om t eens overdreven te stellen. Van die torrent kwamen ook hun teveeprogramma’s, de live voetbal uitgezonderd. Wel, ik dwaal af.)

Goed, Niels Bakker slaat een keer de plank per ongeluk mis als hij stelt “Maar zijn die tijdelijkheid en veranderlijkheid specifiek voor de computer? Nee, integendeel zelfs. Film en televisie bieden precies dezelfde mogelijkheden (…).” Eventjes vergeten wat programmeren is. Er wordt een programma uitgevoerd, de output daarvan is iedere keer anders (afhandelijk van whatever parameters): dat is de veranderlijkheid van de elektronische tekst. Niet alleen het filmische.

Oh ja, Lucas Hüsgen en Josien Laurier zijn ook nog onderdeel van het dosssier, en er zit een cd-rom bij maar die heb ik nog niet gezien.

Lang stuk. Publish? Ja, publish.

free publicity,nl,reading matter | May 29, 2006 | 21:54 | comments (0) |

95 / 4.20

11.00 – 15.30 Smerig weer, al de hele week en veel minder gereden dan ik graag had gewild. Zwaar bewolkt, westenwind, maar het bleef lang droog (eignelijk kreeg ik maar 1 bui op mn kop), en het was niet echt koud. Eigenlijk, stiekem, best lekker fietsweer (je moet alleen jezelf overwinnen en op de fiets stappen). Mooi tochtje, met in het begin industrie en tussen de dorpjes door (tja, hoe noem je zoiets als Vise links van de Maas, of Hermalle sous Argenteau), dan steile klims, uitzichten over Luik en bebouwing, een stukje rond de Vesdre en dan door het Pays de Herve terug). En weer Houtepen-klims opgezocht. Ik kon ze niet altijd vinden, ben ook hier en daar op goed geluk een weg ingereden (de Rue de Distellerie in Jupille bijvoorbeeld), de meeste vond ik. Plus eentje (halverweg de Rue de Beyne rechtsaf de steentjes op) die hij niet noemt, maar die wel leuk is.

Kanne – Lanaye – Lixhe – sluis – Vise – Hermalle sous Argenteau – kanaal – Herstal – Wandre – Cote du Bois la Dame – rechtsaf afgedaald – onderaan omgekeerd – = Rue Colline + Rue Montagnard (Cote de la Xhavee) weer omhoog – Jupille – (wat zitten dwalen) – Rue de Beyne – halverweg rechtsaf – Beyne – terug afgedaald – Rue de Beyne vervolgen – Beyne (zelfde punt) – terug en rechtsaf bij driesprong – einde afdaling rechts – rechtsaf Rue Heids des Chenes (een Houtepenklim, retesteil recht omhoog, 30 x 24, en eigenlijk was er van asfalt geen sprake, blijkbaar waren ze net aan het werk: scholen, stenen, gaten, putten, grind, zand, en dan met 14 a 18% omhoog) – Fleron – Vaux Chevremont – onder TGV viaduct linksaf voor nog een Houtepenklim: de Rue Haute Folie (kijk, dat vind ik nou echt mooi: eerst een fijne lange, makkelijke afdaling door het bos, dan via een klein, lekker steil weggetje, met hier en daar schitterend uitzicht omhoog) – abdij van Chevremont – Ronsee (meen ik, maar ik weet niet precies hoe ik ben gereden; nog een weggetje omhoog voor een uitzichtklim) – Fleron – Retinne – Barchon – Blegny – Dalhem – Bombaye – Berneau – Moelingen – Lixhe – Lanaye – Kanne

Waarom kosten die Houtepenklims me minder moeite dan de Limburgse heuveltjes? Ik denk omdat ik er al bij voorbaat de 30 ‘opgooi’ (iets wat je in Limburg niet doet.. tenzij op de Keutenberg), eerst 30 x 19, dan snel toch maar 30 x 21, en tja uiteindelijk gewoon 30 x 24 om niet kapot te gaan).

cycling,nl | May 27, 2006 | 21:54 | comments (1) |

Outtakes

The first really tidied-up and edited version of my text on Poetry for the Screen amounts to 1600 words, where 1000 is the limit. That’s pretty normal for me. I can bring that back to 1400 by rewriting without losing too much info. Still means I have to get rid of some, well, paragraphs. Mostly that means cutting the first paragraph on which I have spent a lot of time, introducing the subject nicely. That’s down to 1200. So then I still have to thrown out some…

Paul Bogaert (another one of my favorite poets) is the victim. I cut this:

“Fascinerend vind ik echter Interne keuken, een powerpointpresentatie van alle versies van een gedicht, van eerste regel tot en met laatste versie. 700 schermen. Bogaert introduceert het als een verhandeling over een van zijn gedichten, maar het kan evengoed een zelfstandig poëzieproject zijn. Ik stel me een programma voor dat alle toetsaanslagen voor een file (een gedicht in wording) vastlegt, zodat deze kunnen worden gereproduceerd. Dat kun je presenteren als (conceptuele?) poëzie. Ook in Later zal het opzien baren, 21 versies van het einde van Liefdadigheid nu, ligt een kiem van zo’n geprogrammeerde, veranderende poëzie.”

See http://www.paulbogaert.be.

en,reading matter,writing | May 25, 2006 | 20:24 | comments (0) |

Right on…

“Sorrentino never got the big ticket acknowledgement for his accomplishments that he deserved. His fiction has too many layers for an age that thinks Philip Roth is serious writing.”

As scribbled by Ron Silliman: http://ronsilliman.blogspot.com/2006/05/when-i-began-project-of-this-weblog.html.

I’ve hardly read any Sorrentino, and even less Philip Roth, but I’d say I agree for the full 100%. Roth’ The Plot Against America I found okay — the novel does the job it wants to do — but I think it’s also flawed. Sorrentino’s Splendide-Hotel is pure perfection in words.

(Of course, without argumentation, these opinions don’t amount to much…)

en,reading matter,writing | May 25, 2006 | 11:36 | comments (0) |

Steven Rooks Classic

Tja, het zal nooit wat worden tussen mij en toertochten. Morgen is de Steven Rooks Classic (http://www.stevenrooksclassic.nl/), start 5 kilometer van Kanne. Ik heb wat anders aan mn hoofd. Had ik vorige week maar niet ja moeten zeggen op nog een artikel te schrijven. En wel, ik ken de meeste wegen al, en de Forges en de Redoute, die zal ik binnenkort zelf opzoeken, en de weersvoorspellingen zijn ook niet schitterend. Eigenlijk allemaal zwakke excuses. Wat een ontrouw aan mezelf. Van de winter verheugde ik me al op de ‘Steven Rooks’… En wat regen betreft: vorige jaar reed ik 150 kilometer door vieze, koude regen, en de Ballon d’Alsace over.

cycling,nl | May 24, 2006 | 14:18 | comments (0) |

Vriezen, Mettes, Parmentier

Today:

Samuel Vriezen on curiosity, ‘Ernstige Muziek’, ‘Muziek van verpozingsaard’ and the BUMA/STEMRA: http://blogger.xs4all.nl/sqv/.

Jeroen Mettes has some good thoughts on electronic poetry: http://n30.nl/2006/05/vertraagde-speculaties-over-zgn.html.

And the newest issue of Parmentier (http://www.literairtijdschriftparmentier.nl/) deals with electronic literature and comes just too late for me. (De Tribune didn’t have it yesterday, and my text is due friday).

en,reading matter,writing | May 24, 2006 | 12:22 | comments (0) |
Next Page »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 2.5 License. | Arie Altena