Tour de France II

Pietro Caucchioli will be the winner of this years Tour de France. That’s my hunch.

cycling,en | June 30, 2006 | 22:15 | comments (0) |

Tour de France

The Tour de France has not been my favorite cycling event to watch over the past few years. As many other true cycling fans I prefer the Giro and the Vuelta. The Tour has become overloaded with ‘stress’-factors, the stakes are too high, the riding is often defensive, and the ‘parcours’, with all the flat stages in the beginning, asks for a boring narrative.

When all the news about the big doping affair in Spain began to spread and exert influence, I began to have hope for an exciting Tour, if not because of the riding, but because of all the changes that professional riding is going through at once (and that athletics and football will have to go through too). There are too many interesting sides to this affair, just one of them is that it’s mainly top riders who are involved — no ‘small riders’, no ‘domestiques’.

Today came the big news: all the riders on the Spanish list will not be allowed to start. On the list (here’s a very provisional list: http://www.cycling4all.com/d_news.php): Ullrich, Basso and Mancebo. Ullrich is immediately expelled by his team, Mancebo has immediately resigned from cycling. I don’t know about Basso.

We still do not know if Vinokourov will start, and if he starts he will be under tremendous pressure, because his team is (or was) a key in the whole scandal that’s now unfolding.

I suddenly have high hopes for a exciting Tour — in terms of the course (‘de koers’). Now there will really be about 30 riders who can win. And with this whole doping-story it can only gets stranger and stranger.

The weirdest thing is: David Millar is back for his first day of competition after being expelled from cycling for EPO-use for 2 years. He could be a major contender if he has been able to regain his old form.

cycling,en | June 30, 2006 | 18:47 | comments (0) |

62 / 2.30

Toch niet voor een lange tocht vertrokken die ochtend, maar in de middag spijt en terug naar Kanne om een rondje te maken alvorens de trein naar Amsterdam te nemen. 15.30 – 18.00. Raar weer, soms erg warm, soms bewolkt, soms zon, flinke ZW-wind. Kanne – Eben – Moulin du Broukay – Bassenge – Houtain St. Simeon – Hermee – (hier een grote weg opgereden en weer omgedraaid, me niet realiserend hoe dicht ik bij Herstal en Wandre was) – Petit Aaz – Oupeye – Hermalle ss Argenteau – Whixhou – Richelle – Dalhem – Trembleur – Mortier – Chenestre – ri. Bombaye – Mons – Vise – kanaal – Kanne

cycling,nl | June 27, 2006 | 11:28 | comments (0) |

Boogerd koopt een rood-wit-blauwe trui, of een perfecte zondagmiddag

Een perfecte zondag: een mooie wandeling van Kanne naar de Pietersberg en terug, en tussendoor een keer of zeven het in groepjes uiteengereten peleton wielrenners voorbij zien komen. Mooi om ze bovenop de Zonnenberg een voor een boven te zien komen. (De Zonneberg waar je alleen kon komen als je de wandelroutes kent, want alles wat perfect afgesloten en wie zich op verboden terrein begaf kreeg de dame en heer van de bereden politie achter zich aan). J.heeft een paar mooie filmpjes gemaakt. Tenslotte de laatste anderhalf uur voor de tevee om een staaltje onvervalst wielrennen te zien. Ik bedoel: je kreeg heel fraai te zien hoe de koers ook wordt bepaald door allerlei belangen, belangenverstrengelingen, belangenafwegingen, die ook te maken hebben met zaken waarvan een purist zou zeggen dat ze ‘buiten’ de koers horen. Je kreeg perfect in beeld dat ‘de koers’ niet alleen belangeloze lichamen op een fiets betreft die zo hard mogelijk naar de eindstreep proberen te rijden. Iedereen weet hoe ontzettend belangrijk de kampioensschpastrui voor Rabobank is. Ze hebben er de afgelopen jaren te vaak naastgegrepen. De kampioensschapstrui moet ook in de Tour te zien zijn. (Toen De Groot leek te gaan winnen wist je: dus De Groot zal naar de Tour gaan. — Wegens vormcrisis van Thomas Dekker gaat hij inderdaad mee (hoe goed/slecht ligt Thomas Dekker eigenlijk in de ploeg?) Dan komen Boogerd en Sebastiaan Langeveld op kop. Stel je voor je bent Langeveld. Je weet zo goed als zeker dat je volgend jaar bij Rabo zult rijden. Rabo wil de trui. Als je wint kom je in 2007 bij een ploeg waar ze je wellicht voor een te eigenzinnige matennaaier houden (o.i.d.): ‘he, waarom heb jij Boogerd vorig jaar van de winst afgehouden?’ Het is zo ontzettend veel voordeliger om Boogerd te laten winnen: 1. je contract met Rabo is binnen, en voor een hoger bedrag dan eerder is afgesproken. 2. Boogerd doet er persoonlijk nog een leuk zakcentje bij. 3. jij en ook Skil – Shimano hebben er een heel stel vrienden bij en dat kan heel goed van pas komen in de Eneco-tour; en wie weet doet Rabo eens een goed woordje voor Skil – Shimano. Natuurlijk is dat akkoord.

Al die dingen horen bij de koers. Die dingen zijn de koers. Alleen als Langeveld een nieuwe Hinault of Boonen zou zijn, had hij ‘met winst’ kunnen winnen. Alleen als hij zo’n grote meneer zou zijn dat hij volgend jaar gewoon met de vuist op tafel zou kunnen slaan om bij Rabo het absolute kopmanschap af te dwingen. Maar zo’n grote is zelfs Thomas Dekker niet. Deze tweede plaats is veel belangrijker voor zijn carriere (en die van Skil – Shimano) dan de winst.

En dan komt het aan op hoe ‘mooi’ het wordt gespeeld. Nee, niet mooi. De sukkel van een Boogerd vraagt aan Langeveld ‘is het okee?’ terwijl de microfoon van de cameraman zowat voor z’n snufferd hangt. Langeveld gaat volledig overbodig aan z’n bovenbeen voelen (of is dat omdat hij donders goed wist dat hij sneller sprint dan Boogerd en niet vertrouwde dat de als altijd hypernerveuze Boogie zich niet ten onrechte genept zou voelen als hij voor de vorm de sprint aan zou trekken?)

Dit allemaal is de koers. En ja, ik vind dat het niet ten koste gaat van kijkgenot. (Natuurlijk, het moet niet tot saaie koers leiden, zoals de afgelopen jaren in de Tour). Alleen tja, die Boogerd, die heeft dus wel gewoon ouderwets dit kampioenschap in de laatste ronde gekocht omdat hij zich niet zeker wist tegen Langeveld.

Maar vergeet dan niet hoe Langeveld en Boogerd uiteindelijk met z’n 2-en overbleven. Hoe er gereden werd en gepokerd tussen de laatste 8 — de 8 sterksten (Tankink, Wielinga, Moerenhout, Dekker, Boogerd, De Groot, Langeveld en Rooijakkers).

Mooie aspecten van de koers gisteren? Het rijden van die jongen die in Frankrijk rijdt, bij Haribo: die zat al vanaf het begin van de koers voorin! En zo verschrikkelijk hard als er in het begin werd doorgereden.

Het was genieten. Profwielrennen op z’n mooist.

cycling,nl | June 27, 2006 | 11:28 | comments (0) |

36 / 1.52

‘s Avonds vrij laat, een rondje samen met J. 20.30 – 22.30, net bij donker terug. Prachtig rustig zomerweer en nadien twee Hoegaarden op het terras. Alsof het vakantie was. Kanne – St. Pierre – Eben – Moulin du Broukay – Wonck – Bassenge – Houtain St. Simeon – Heure l’ Romaine – Bassenge – Wonck – Zichen – Eben – Kanne

cycling,nl | June 27, 2006 | 11:23 | comments (0) |

Latour: Aramis

A beautiful book, for various reasons. First of all a wonderfull overview and introduction into Latours view on technology. Secondly a very precise account of how a revolutionary type of metro never gets ‘off the ground’ — because of the love for technology (and other reasons), or rather the lack of it: Aramis is a project that does not go through translations… that is not negotiated enough. (Who loves has to negotiate and change). Thirdly it shows that one can write a true sociological novel, or do novelistic sociology. (A bit what Powers does from the side of the novel — Latour and Powers love each others work).

“By definition, a technological project is a fiction, since at the outset it does not exist, and there is no way it can exist yet because it is in the project phase.” p. 23

“Give me the state of things, and I’ll tell you what people can do — this is how technology talks. Give me the state of human beings, and I’ll tell you how they will form things — this is the watchword of sociology. But both of these maxims are inapplicable! For the thing we are looking for is not a human thing, nor is it an inhuman thing. It offers rather, a continuous passage, a commerce, an interchange, between waht humans inscribe in it and what it prescribes to humans. It translates the one into the other.” p. 213

“The work of folding technological mechanisms can go from complication to complexity. This is because technological detours go from zero to infinity according to whether the translation goes through intermediaries or through mediators.” p. 219

Bruno Latour, Aramis or the Love of Technology, Harvard UP, Cambridge &c., 1996 (1993)

en,quotations,research | June 24, 2006 | 16:57 | comments (0) |

St. Bonaventura

“The thirteenth-century Franciscan, St. Bonaventura, said that there were four ways of making books: ‘A man might write the works of others, addding and changing nothing in which case he is simply called a ‘scribe’ (scriptor). Another writes the work of others with additions which are not his own; and he is called a ‘compiler’ (compilator). Another writes both others’ work and his own, but with others’ work in principal place, adding his own for purposes of explanation; and he is called a ‘commentator’ (commentator) … Another writes both his own work and others’ but with his own work in principal place adding others’ for purposes of confirmation; and such a man should be called an ‘author’ (auctor).’ ”

Quoted in Elizabeth Eisenstein, The Printing Press as an Agent of Change, Communications and Cultural Transformations in early-modern Europe, Cambridge UP, 1979, p. 121/122

en,quotations,research,ubiscribe,writing | June 24, 2006 | 16:38 | comments (0) |

Ongerijmd succes

Ook ik heb inmiddels Ongerijmd succes van Thomas Vaessens gelezen (http://www.vantilt.nl/nieuws/00102/) — en meteen daarna de eerste twee hoofdstukken van Joostens & Vaessens boek over postmoderne poëzie. Een rondje weblogs en kranten leert dat er inmiddels het nodige aan recensies is verschenen (Ohlsen bij De Contrabas, ‘t Hart in De Groene, Gerbrandy in De Volkskrant) of nog gaat verschijnen (Reugebrink in Yang). Ik heb daar weinig aan toe te voegen, ook al omdat ik me niet geroepen voel om me te mengen in de discussies tussen dichters.

http://decontrabas.typepad.com/dekleinezaal/2006/06/van_de_jeugd_en.html
http://decontrabas.typepad.com/de_contrabas/2006/06/thomas_vaessens.html
http://decontrabas.typepad.com/de_contrabas/2006/06/ongerijmd_succe_2.html
http://reugebrink.skynetblogs.be/?number=1&unit=days&date=20060615#3435339

(Tja, de Groene-recensie en de Volkskrant-recensie zijn weer niet online toegankelijk. Al 4 jaar geleden werden, binnen de wetenschap, wetenschappelijke artikelen die online stonden 4.5x zo vaak geciteerd als wetenschappelijke artikelen die niet online beschikbaar waren).

Of nee, ik heb 1 ding te zeggen over Ongerijmd succes — iets dat mijn inziens aan de waarde van dit boek raakt, en dat ik tot nu toe nog niet in de recensies voorbij heb zien komen. Wat ik fascinerend vind aan Ongerijmd succes is dat Vaessens begint om op basis van een vrij klassiek opvatting van literatuurgeschiedenis licht te werpen op de ontwikkelingen in de poëzie van de afgelopen 20 jaar, en zich naarmate hij daar langer mee bezig is, lijkt te realiseren dat achter wat hij opvatte als een ontwikkeling binnen het literaire veld, feitelijk een veel ingrijpender culturele transformatie schuil gaat. Wat literatuurgeschiedenis leek te zijn, wordt mediageschiedenis; of — misschien preciezer — in dit boek zien we het moment waarop het verhaal van de mediageschiedenis gaat primeren boven het verhaal van de literatuurgeschiedenis. Het verhaal dat Vaessens begint te vertellen, is niet langer de geschiedenis van nieuwe poëzie binnen het literaire veld, maar dat van de transformatie van het begrip literatuur. We danken ons begrip literatuur grotendeels aan de opkomst van het drukwerk, en, inderdaad, inmiddels is drukwerk cultureel gezien niet meer het dominante medium. Enzovoorts. (En ja, da’s mijn pakkie-an, of mijn zwarte beest, wat u wil).

Dat betekent niet dat podiumdichters of nieuwe-media-dichters ineens veel betere gedichten schrijven dan drukwerk-dichters. De invloed van een sterke traditie (zeg Kouwenaar – Faverey) verdwijnt niet als sneeuw voor de zon. (Al moet ik hier ook gewoon toegeven dat ik erg graag de poëzie lees van zeg, Bogaert, Van Bastelaere, Faverey, Creeley, Pound — en de poetry slams en voordrachten die ik ooit bezocht best gezellig vond, maar er nooit zo werd geraakt. Ik wil dan (bij een voordracht) een echt goeie performance, zoals Jaap Blonk die kan neerzetten, of, for that matter, — nooit live gezien, alleen gekend van mp3 — Opgezwolle).

Ik dwaal af.

Of twee dingen wil ik zeggen over Vaessens. Wat ik ook nergens vermeld zie, is de handige manier waarop Vaessens zijn artikelen opfleurt met sociologische cijfermateriaal, cartoons en terzijdes. Hij zet een heel arsenaal aan retorische middelen in om zijn boodschap over te brengen (en dat bedoel ik positief). Je ziet hem zo voor de klas staan. Tegelijk vindt je juist in die terzijdes ook de hardere wetenschappelijk argumenten voor zijn beweringen. Het is alsof hij aan de ene kant tegen de wetenschappers zegt: kijk hier, de data en de academische papers; en het publiek dat hij voor zijn verhaal moet winnen, lokt hij met de cartoons en terzijdes.

Of toch nog iets (of omdat ik via Niemöllers Broers aan de jaren ’80 werd herinnerd): de Maximalen krijgen bij Vaessens veel te veel aandacht; maar ja, dat was dan ook de laatste beweging die het lukte om de kranten en weekbladen — die toen nog autoriteit hadden — voor hun karretje te spannen. Goeie PR en ook wel slim om samen te werken met wat schilders. Hun poëzie, daar hoor je toch niet zoveel meer over. (Uitgezonderd Frank Starik en Pieter Boskma). En je zou kunnen zeggen dat de ideeën van Aap Noot Mies — Duinker & Michel — die op hetzelfde moment opereerden, veel meer hun beslag hebben gekregen (of hoe zeg je dat — deel van het poëtisch centrum zijn geworden). Zoals ook de poëticale positie van Marc Reugebrink misschien wel meer navolging heeft gekregen. (Maar daar hoor je weer minder over). Serge van Duynhoven — een van de enige die toch met enig succes de begin jaren negentig de dialoog aanging met de techno en de multimedia — klinkt bij Vaessens achteraf helemaal potsierlijk en als stem uit een voorbije wereld: ‘meer massamedia in de poëzie’. De massamedia zijn voorbij. De massamedia, dat is de oude wereld.

nl,reading matter,writing | June 24, 2006 | 16:22 | comments (0) |

32 / 1.30

Zo’n rustige zomeravond waarop je wegrijdt en denkt, eigenlijk heb ik helemaal niet zo’n zin, waarom ben ik niet gaan lezen in de tuin? Je peddelt dan wat door, besluit wegen in te slaan waar je nog niet bent geweest en bent weer verbaasd over hoe mooi het landschap is, bij Heure ‘l Romaine, Bassenge en vooral bovenop tussen Eben Emael en Zichen – Zussen. Kanne – kanaal – Haccourt – Oupeye – Heure ‘l Romaine – Bassenge – (plus voor het viaduct even rechtsaf, je kunt daar een rondje door het bos draaien, omhoog en naar beneden) – Wonck – (en een klimmetje, holle weg, dat bovenop onverhard is) – Zichen – Zussen – Eben Emael – Kanne.

cycling,nl | June 24, 2006 | 16:09 | comments (0) |

Ambient findability

I promised to up some quotes from Peter Morville’s Ambient Findability, http://www.oreilly.com/catalog/ambient/, a book that takes a closer look at some of the webdevelopments of the past two years, focussing on yes, findability, traceability, and wayfinding. What to say about a book like this one? Yes, I recognize the problems that Morville identifies, yes, he gives a good overview of current developments (the chapter on the Semantic Web versus folksonomies is balanced and therefore quite good), yes in this very American way that also will appeal to intelligent businessmen, he gets his message across and also refers to Wittgenstein of Lakoff & Johnson when he likes too, or to some obscure psychology-paper if that’s necessary. His writing style is maybe a bit too informal, too much talking-as-if-he’s-presenting-in-front-of-you, but I’m not unsympathetic towards such a pedagogic approach (because that’s what it is). So why does a book like this leave me unstatisfied? Firstly because he doesn’t have new information for me (but he probably has for others). Secondly because when he is critical — and Morville certainly is critical — he only skims the surface, doesn’t dig, doesn’t go into the entangledness of politics, economics and technology. It never becomes really dark and dirty: he believes in markets, intelligent customers and discriminating consumers — but abhors fastfood. He’s not always optimistic, he knows — and points out — that humans are blind and lazy in many respects, but he certainly believes that we have the power to design technology that is good for us, as the internet shows. Nevertheless, if one is not so up to date, this book might bridge the gap.

Well, some quotes then…

“This fast food approach to information drives librarians crazy. “Our information is healthier and tastes better too” they shout. But nobody listens. We’re too busy Googling.” p. 55

“The Web allows our information seeking to grow more iterative and interactive with each innovation. The berrypicking model [of aquiring information] is more relevant today than ever.” p. 60

“The human natural tendency in information seeking is to fallback on passive and sampling and selecting behaviors derived from millions of years of [evolution]” p. 61 (Actually a quote from Marcia Bates, 2002)

“Most of the world will never be ready for the Semantic Web. And We’re still waiting for the few that constitute the rest to catch up.” p. 133

“… most categories we emply in daily life are defined by fuzzy cognitive models rather than objective rules.” p. 133 [Morville pits Lakoff & Johnson’s Metaphors We Live By against the Semantic Web].

“How will we make sense of this tower of babble? In the midst of this cacophony, to whom will we listen? Who will we trust? Will we rely on formal hierarchy or free tagging, library or marketplace, cathedral or bazaar? Will we place our confidence in words or people? And are we talking about cyberspace or ubicomp? The answer lies in the question, for we will not be bound by the false dichotomy of Aristotelian logic. To manage complexity, we must embrace faceted classification, polyhierarchy, pluralistic aboutness and pace layering. And to succeed we must collaborate across categories, using boundary objects to negotiate, translate, and forge shared understanding.” p. 153/154

“Findability is at the center of a fundamental shift in the way we define authority, allocate trust, make decisions, and learn independently.” p. 162

Peter Morville, Ambient Findability, O’Reilly, Sebastopol Ca. 2005.

More Morville: http://www.findability.org/.

Next Page »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 2.5 License. | Arie Altena